6 ‘Strijd om water wordt de belangrijkste oorlogsdreiging’
SDG 6: Schoon water en sanitair
Tegen 2030 komen tot een universele en gelijke toegang tot veilig en betaalbaar drinkwater voor iedereen. Verzeker toegang tot duurzaam beheer en sanitaire voorzieningen voor iedereen. Bevorder efficiënt watergebruik en filtermethodes.

Als plek om het zesde SDG-doel te bespreken, kiest ecofilosoof Gerard Kuperus voor de Marker Wadden, vanaf 2016 opgebouwd als nieuw stukje Nederland in het voormalige Markermeer. Evengoed had je hier elk SDG-doel kunnen bespreken. ‘Praat over water en je kunt praten over alles.’
De excursie naar de Marker Wadden is een tocht vol tegenstellingen. Waarom koos Gerard Kuperus, verbonden aan het instituut Laudato Si’ van de Radboud Universiteit (zie kader), uitgerekend voor dit plukje door mensenhanden gemaakte eilanden? Om het contrast, legt hij uit tijdens de overtocht naar de eilanden vanuit de haven in Lelystad. “Je bent hier omgeven door een enorme watermassa, terwijl we kampen met een toenemend watertekort.”
Laudato Si’
Het Laudato Si’-instituut doet onderzoek naar duurzaamheid vanuit een discipline-overstijgend perspectief. Het gedachtegoed van integrale ecologie is gebaseerd op de encycliek Laudato Si’ van Paus Franciscus uit 2015, waaraan het instituut ook zijn naam ontleent. Het instituut is een samenwerkingsverband van de denktank Socires en de Radboud Universiteit.
Ecofilosoof Kuperus maakte nóg een keuze: met welke deskundige in het veld van de waterhuishouding wil hij op pad om het zesde SDG-doel in te kleuren? Geen moeilijke keuze: met Igor Jellema is het goed toeven om over water na te denken. Jellema, beleidsadviseur en hydroloog bij waterbedrijf Vitens, illustreert tijdens de excursie de rijke schakering van het fenomeen water. “Water raakt aan bijna alles. Het realiseren van het zesde SDG-doel is zeer behulpzaam voor vele van de andere duurzaamheidsdoelen.”
Dat Igor Jellema een uitstekende reismaat is voor Kuperus, blijkt uit zijn prima geslepen bril om de wereld in contrasten te zien. Hoog of laag water, brak of zoet, is de beker half vol of half leeg: water is voor hem een letterlijk onuitputtelijke inspiratiebron. Tijdens de excursie over de eilandengroep – inmiddels zeven opgespoten eilanden van dertien vierkante kilometer – houden we stil bij een uitkijkpunt, met één doorzichtige zijde waardoor je de waterhoogte kunt aflezen. Het water staat door de harde zuidwesterwind op NAP-niveau, 40 centimeter hoger dan normaal. “Oppassen dat we het water niet te hoog stuwen”, waarschuwt de rondleider van Natuurmonumenten, “want dat kan de nestbouw van onze vogels verstoren.”
“Maar goed voor de waterwinning”, zegt Jellema. “We hebben meer zoete badkuipen nodig, zodat we met het wateroverschot uit de winter de drogere zomers kunnen overbruggen”, legt hij uit. Maar er is meer: Nederland heeft een laag deel – waar we nu zijn – en een hoog deel – de Veluwe bijvoorbeeld, waar Vitens een deel van zijn water wint. Het drinkwater maakt het bedrijf nu nog vooral uit het grondwater, maar in de toekomst naar verwachting in toenemende mate ook uit rivierwater. Het idee is om in de winter extra drinkwater uit rivierwater te maken en dit op de hogere gronden op te slaan in de bodem. “Door deze reservoirs vervolgens in de zomers weer te gebruiken, kunnen we beter inspelen op de disbalans van de seizoenen van waterbeschikbaarheid en drinkwatervraag.”
Jellema legt uit dat de Nederlandse waterhuishouding in de afgelopen decennia vooral is afgestemd op het voorkomen van wateroverlast. “Dit proces is doorgeschoten. Nu moeten we een nieuwe balans vinden tussen water vasthouden, bijvoorbeeld met herstel van de sponswerking van het bodemwatersysteem, en het water afvoeren wanneer het echt te veel wordt.”
De traditioneel snelle afvoer van water is vooral een agrarisch belang: boeren houden van een wat lagere grondwaterstand. Met te hoog grondwater zouden de gewassen verzuipen en zouden landbouwmachines de bodem kapotrijden. Een van de vele spanningen tussen het agrarisch en drinkwaterbelang, schetst Jellema. “Er valt in het land veel neerslag, maar het meeste ervan laten we er snel weer vandoor gaan. Er is ’s zomers nu een watertekort, terwijl er op jaarbasis in totaal genoeg is om iedereen het hele jaar door te kunnen bedienen.”
Klimaatvluchtelingen
Te veel. Te weinig. Kuperus wijst om zich heen naar de onafzienbare watermassa. “Er is over alle tijdvlakken gerekend wereldwijd steeds evenveel water. Geen druppel gaat verloren, maar steeds vaker kampen we met tekorten.”
Jellema nuanceert: “Maar de hoeveelheid zoet water is wél variabel. Momenteel zien we mondiaal een afname van de zoetwaterbeschikbaarheid. Mede ook door het afsmelten van zoet landijs in de zee.”

Het water wordt een schaarser goed: boeren die moeten sproeien, meer dan veertig landen die kampen met ernstige watertekorten, een toenemend aantal mensen dat door temperatuurstijging en verwoestijning te lijden heeft onder een blijvend drinkwatertekort, oplopend tot een kwart van de wereldbevolking in 2050. Waarbij ook de ongelijkheid in het geding is, tussen arm en rijk en tussen de ene streek en de andere. “Strijd om water wordt deze eeuw de belangrijkste aanleiding voor conflicten en oorlogen”, zegt Kuperus. En het komt dichtbij: ‘zelfs’ in Europa kampen meer dan honderd miljoen mensen met watertekort, wonend in huizen zonder aansluiting of zonder openbaar waternet. Het is maar honderd jaar geleden dat in Amerika mensen massaal op de vlucht sloegen voor de droogte, zo verwijst Kuperus naar de klassieker The Grapes of Wrath van John Steinbeck. “Vluchtelingen van de toekomst zullen steeds vaker klimaatvluchtelingen zijn.”
Jellema knikt en wijst op de bijna drooggevallen Kaspische Zee, met alle ellende van dien voor de leef- en werkomstandigheden van de omringende bevolkingsgroepen. Wat te doen? Een prangende vraag in het licht van de bevolkingsgroei en daarmee ook van de groei van de agro-industrie – een notoire waterslurper, overigens niet per se van drinkwater. “Beregening voor de landbouw is vele malen groter dan het verbruik door de industrie”, citeert Jellema uit diverse rapporten. “Als je ook de water- en milieu-impact van vee meeneemt, hebben die twee à drie keer Nederland nodig voor het veevoer.”
Moeten we om die reden vol inzetten op een bewuster gebruik van zoet drinkwater? Of wellicht wat minder streng worden op de drinkwaternormen? Kuperus legt weer de nadruk op de tegenstellingen waarin we ons bevinden: hier op de Marker Wadden hebben we zoveel water om ons heen, maar omdat de waterzuiveringsinstallatie op het eiland niet de gewenste kwaliteit kan bereiken, moet er drinkwater vanaf het vaste land worden aangevoerd, voor de onderzoekers en toeristen die hier onderdak genieten. “Dat is in deze situatie een luxeprobleem, maar mondiaal gezien is het vaak een probleem van leven en dood. In veel gebieden drinken mensen water van een veel lagere kwaliteit dan het water hier, dat we volgens de Nederlandse normen niet als drinkwater mogen aanbieden.”
Zijn we niet te verwend geraakt in dit land met, aldus Jellema, ‘het beste drinkwater van de wereld’? Aan die kwaliteit gaan we niet tornen, zegt de waterwinner. “Mensen die het zich kunnen herinneren, spreken over het vieze drinkwater veertig jaar geleden in een stad als Rotterdam.” Daar zat dus nog chloor in. Jellema speelt liever ook niet als eerste de kaart van bewuster consumeren (hoewel dat zeker ook bijdraagt). Zíjn troef: veel slimmer inspelen op het wateroverschot van de winter in combinatie met ondergrondse seizoensbuffers. “Bovendien: het drinkwater dat we in de zomer gebruiken, komt voor negentig procent weer in de waterkringloop terecht. En door de rioolwaterzuiveringen te verbeteren, heeft deze stroom ook een functie in de toevoer van tal van waterlopen die anders in de zomer droog zouden vallen.”
Overschot en tekort
In het informatiecentrum annex restaurant illustreert Jellema met een kaartje nog eens de schommelingen tussen watertekort (lente en zomer) en mondiaal overschot (herfst en winter). Het zomertekort zal door klimaatverandering nog toenemen (door de steeds langere en hetere zomers), maar zelfs dan overstijgt het overschot het tekort. Jellema zet bij voorkeur vooral in op ‘integraal waterbeheer’. Dat wil zeggen: goed samenwerken met alle partijen in een streek om het water vast te kunnen houden, een boodschap die vooral de boeren betreft. De ‘sponswerking’ van de gronden kan beter, en vooral – Jellema komt er tijdens de excursie vaker op terug: we moeten ‘buffers’ maken.

Een buffer is gelijk een regenton in onze tuinen, een enorme put voor opslag van het regenwater. Dat kunnen ook enorme waterbellen ondergronds zijn, legt Jellema uit. Technisch niet heel ingewikkeld. De cultuuromslag is lastiger, zo wijst Jellema op het eeuwenoude Nederlandse fanatisme om ons overtollig water zo snel als kan naar zee te leiden, via sloten, kanalen, uitbaggeren van rivieren of anderszins. De trend naar een waterrijkere wereld is gelukkig al ingezet, zie bijvoorbeeld het beleid om de beekjes meanderend door het landschap te geleiden. Soms zijn schadelijke effecten ‘per ongeluk’ ontstaan. Jellema wijst op het steeds verder eroderen en dieper worden van de Waal, wat ertoe leidt dat deze riviertak steeds meer water afvoert ten koste van de IJssel. “Daardoor is de afvoer naar het IJsselmeer afgenomen”, legt hij uit. “De situatie op de ene plaats heeft altijd invloed elders; vaak doen de effecten zich pas op langere termijn voor.”
“Je kunt de gevolgen van duurzaamheidsmaatregelen vaak niet voorspellen”, zegt ook Kuperus. “Er zijn meestal zoveel factoren in het spel, die elkaar ook weer beïnvloeden. Het kan decennia duren voordat je precies weet hoe een maatregel uitpakt. Ook de aanleg van de Marker Wadden zal gevolgen hebben voor de natuur. Sommige daarvan zullen positief zijn, maar het geheel kun je nu nog onmogelijk voorzien. Het is een ontzettend interessant experiment.”
Natuurlijke zuivering
Watervervuiling is voor Kuperus en Jellema een punt van zorg, hoewel ook hoop gloort. Kuperus memoreert zijn hernieuwde kennismaking met de Amsterdamse grachten na jarenlang verblijf in de VS. In zijn studietijd te vies om aan te pakken, nu een voor velen geliefde zwemplek. Ook de waterkwaliteit van onze rivieren is aanzienlijk verbeterd, weet Jellema.
Als we weer buiten zijn en stilhouden bij een van de ‘inlaatpunten’ van de Marker Wadden, wijst Jellema op de mooie manier waarop nu meer water door het zand aan de oppervlakte wordt geleid, een natuurlijke manier van zuivering.
Kuperus komt bij het inlaatpunt ogen tekort. Hij geniet zichtbaar van de hoge door de wind gedragen golven, in een branding met zoet water. “Een heel andere ervaring als bij de zee,” zegt hij. Maar voor hem, deels opgegroeid in het Friese Makkum aan het IJsselmeer, een bekende ervaring.
De aangroei van slib op de bodem van het Markermeer was vanaf 2016 een van de redenen om in de diepe doodse plas een waddengebied aan te leggen. Het slib werd met speciale zuigers naar boven gehaald en opgetast als fundament voor de eilanden. Daarbovenop werd zand gelegd, en na aanplanting van diverse plantensoorten kon het natuurleven beginnen. Winst aan alle kanten: in plaats van een diepe plas nu een grote variëteit van dieptes en ondieptes – wat goed is voor het waterleven. Er is sowieso een beter waterleven, omdat we verlost raken van de smerige slibbodem, en de meest zichtbare winst: een nieuw prachtig landschap met een grote variëteit aan planten en waterminnende vogels.
Tijdens onze rondwandeling van Natuurmonumenten spitsen enkele andere toehoorders regelmatig verwachtingsvol de oren. Is er echt een meerkoet op komst? Niet waarschijnlijk, luidt het; die houden zich het liefste gedeisd in het riet. Maar vogels genoeg, met vooral ganzen die je bijna voor de voeten lopen. “Die moeten we in de gaten blijven houden”, zegt de excursieleider. “Om overlast te beperken, moeten we maatregelen nemen. Ze verstoren de balans en ze kunnen de oevers beschadigen.”
Voor Kuperus wordt het interessant: waar zitten we op de Marker Wadden nu eigenlijk naar te kijken? Niet alleen voor de ganzen zijn extra maatregelen nodig, ook wordt er gestuurd op de gewenste plantensoorten – drie om precies te zijn: moerasandijvie, riet en lisdodde. Laat je de natuur haar gang gaan, dan staat het in de kortste keren vol met wilgen, wat op deze locatie als ongewenst geldt. Op andere natte plekken zoals langs de Waal is de ontwikkeling van zachte ooibossen juist gewenst, maar op de Marker Wadden zijn talloze werkuren gemoeid met het korte metten maken van de wilg. Jellema: “Natuurontwikkeling is een kwestie van keuzes. Dit gebied illustreert hoe specifiek onze natuurwensen zijn geworden.”
Kuperus beaamt: “En keuzes impliceren dat je het hier anders zou kunnen doen. Je kunt om de ganzen te weren natuurlijke vijanden toelaten, zoals vossen, maar die wil Natuurmonumenten hier niet hebben. Wat hier gebeurt, doen we thuis ook: op grotere schaal tuinieren.”
Jellema spreekt van een Intratuin-landschap. Op zich niks mis mee en mooi is het zeker, maar juist hier mogen we het begrip ‘natuur’ met een forse korrel zout nemen. Hij legt uit dat de wilg een pionier is, die zonder ingrijpen en in een groter gebied wordt gevolgd door de els, en met als climax de eik. Een dergelijke successiereeks verstoren mensen bewust, om de natuur naar eigen wensen om te buigen. “De wilg zorgt voor meer landaanwinst en langzaam steeds drogere grond. Ook hier best handig, omdat een storm zo weer wat land kan wegslaan. Zonder bomen moet je steeds weer opnieuw beginnen. De Marker Wadden komen door de wilgenkap het pioniersstadium nooit voorbij, óók een keuze.”
Toch hebben bomen al met al lang geen slechte pers: het wemelt van initiatieven om ze aan te planten. Voor Jellema opnieuw een illustratie van tegengestelde belangen: bomen dragen in aanzienlijke mate bij aan de afvoer van water naar de lucht, een verdamping die dus op gespannen voet staat met het vasthouden van water.
“Natuurbelang is misschien goed uitgedrukt met de politieke term polderen”, zegt Kuperus. “Je streeft naar compromissen.”
“Bomen zijn goed voor de biodiversiteit, maar door de wortels en bladeren gaat een veel kleiner deel van de neerslag naar de diepere ondergrond. Voor het vasthouden van water is het knotten van de wilg dus weer goed.”
‘De kunst is het talent van ieder landschap te herkennen’
Inzoomen. Uitzoomen. “Voor goed waterbeheer moet je dit steeds zien af te wisselen”, zegt Jellema. Met even groot enthousiasme richt hij zijn camera op een zeldzaam plantje – de watermunt – als dat hij filosofeert over de waterproblemen in de wereld. Onze waterkennis en -technieken zijn een mooi exportproduct, zo wijst hij onder meer op de baggertechnieken die voor de Marker Wadden zijn ingezet. Het opzuigen van de weerbarstige modder – het verzilte liqued mud – kan ook elders op de wereld worden ingezet om land op te hogen of als bouwmateriaal voor dijken of andere verdedigingswerken tegen het water. Jellema: “Denk aan eilanden die nu worden bedreigd door zeespiegelstijging, of aan de bouw van nieuwe steden op de oevers in Indonesië.”
De beide deskundigen buigen zich over een kaart met de verdeling van de totale watermassa in Nederland. Met daarop veruit het kleinste aandeel voor het drinkwater, te weten jaarlijks één miljard kuub. Veel meer water zit in de aanvoer van rivieren, met op grote afstand de totale afvoer van zoet water naar zee (bijna 80 miljard kuub). “Laten we de lat eens hoog leggen”, overdenkt Jellema: kan het waterprobleem de wereld uit met grootschalige ontzilting, zoals nu al gebeurt in Israël?
Kuperus ziet ook een noodzaak voor ontzilting, maar plaatst er wel vraagtekens bij: “In veel gebieden met tekorten is of het oppervlaktewater te vuil, of zit het grondwater te diep, of beide. Maar voor ontzilting ontbreekt het ook aan geld, en je moet je afvragen wat dit voor het zeeleven betekent.”
Jellema: “Ontzilting is inderdaad een heel dure optie, maar het kán wel.”
Kuperus: “Installaties voor ontzilting vergen enorm veel elektriciteit. Dat moet je dan ook oplossen. Dat kan met enorme velden met zonnepanelen, plek en zon genoeg.”
Jellema: “In kwetsbare landen heb je ook met beveiliging te maken. Die panelen zijn kwetsbaar voor diefstal.”
Jellema weet wel iets beters om te exporteren. In zijn bedrijf kun je intekenen voor een verlof om in het globale zuiden je waterkennis te delen. Hij denkt na over een verlof in India, met name om de waterwinning vanuit de steden naar de buitengebieden te geleiden. “Ook in ons land was de eerste winning in de stadscentra, of in Amsterdam uit de grachten. Die bronnen werden te vuil, zodat we moesten uitzien naar water van buiten.” Hij memoreert de Amsterdamse waterschepen die tot het midden van de negentiende eeuw vanuit de Vecht het drinkwater naar de hoofdstad vervoerden, waar het werd opgeslagen in ondergrondse bekkens. “In de groeiende Indiase steden is inmiddels ook de trend ingezet naar waterwinning buiten de steden.”
Stem van het water
De les die Jellema wil meegeven – ook voor de waterwinning in eigen land – is om de winning te relateren aan andere belangen. Vitens wil links en rechts in het land ‘strategische harten’ laten kloppen, lees: op één plek een bundeling van winning, zuivering en opslag in de ondergrond, om het ‘overtollige’ regenwater in herfst en winter te benutten tijdens de steeds langer durende warmere periodes. Ook de energiewinning en het landschap spinnen garen bij de harten. “De kunst is dan om de talenten van elk landschap te herkennen. Een van onze ‘living labs’ creëren we in de buurt van Zwolle, dat wordt een model voor een duurzame waterwinning”, zegt Jellema.
Vitens neemt hierbij ook ‘de stem van het water’ serieus. Bij elk project starten ook gebiedsprocessen waarbij alle belangen in beeld komen en worden betrokken. Jellema ziet wel ruimte voor waterstemmen, als je het maar goed afbakent. Hij wijst op de revitalisering van de beekjes. “De stem van dit water klinkt via de bekenstichting, die het water wil laten stromen en meanderen. Daarin hoor ik een roep van de beekjes zelf.”
Maar hoe geef je hier vorm aan? Hoe de boom en het water een plaats te geven aan de overlegtafels? “Wie gun je een stoel aan tafel: de gans? De vos? En wat hebben die elkaar te vertellen”, grijnst Kuperus.
Dé natuur bestaat niet, wil Kuperus gezegd hebben, evenmin als hét waterbelang. “Er zijn veel verschillende belangen, aangezien ecosystemen complex, dynamisch en nooit afgebakend zijn.” In zijn boek Ecopolitics (2023) schetst hij een waslijst aan contradicties. Hoe kan groen beleid samengaan met de opwarming van de aarde, die we weliswaar willen reduceren, maar eigenlijk moeten stoppen? Idem met het consumptiestreven: méér groene consumptie is nog steeds groei, terwijl we consumptie moeten reduceren. Hoezo bedenken we rechten om kooldioxide te verhandelen, terwijl we de uitstoot juist moeten stoppen, en hoezo grenzen opwerpen tussen landen en gemeenschappen, waar vrij verkeer een veel betere borging is voor een rechtvaardige en duurzame wereld. “Je moet keuzes maken”, zegt Kuperus. “Polderen betekent dat we open moeten staan voor alle perspectieven. De Marker Wadden nodigt alle betrokken partijen uit om te luisteren naar al die verschillende spelers, ook naar die niet-menselijke elementen, en dat we dan gezamenlijk de juiste vragen leren stellen. Als we echt ergens om geven, kunnen we wel degelijk dingen veranderen, tegelijk voor ons en voor de niet-menselijke dieren.”
Kuperus zoekt de ‘frisse blikken’ niet alleen in de stem van de vogels of het water, maar ook in de stem van inheemse culturen. “Er ligt heel veel traditionele kennis over onze omgang met water en natuur die verloren dreigt te gaan.” Hij noemt het geen toeval dat de veelgenoemde rivierrechten een vrucht zijn van de Maori’s, waar een rivier in hun leefgebied in Nieuw-Zeeland een juridische status heeft verworven gelijk de rechten van de mens. Hij is wat huiverig om te tamboeren met onze waterkennis en -technieken. “In het verleden heeft de traditionele kennis goed gewerkt; daar kunnen we veel beter naar luisteren en kijken.” Ons past bescheidenheid, vindt Kuperus: de kennis die wij zo nodig mondiaal willen verspreiden, draagt immers de sporen van het systeem dat nu de aarde bedreigt. Inheemse culturen kunnen ons de spiegel voorhouden van een falend systeem van onrecht, destructie en ongelijkheid, zoals we die in veel plaatsgebonden culturen vinden, zoals op Hawaii of de Tlingit en Haida in het noordwesten van de Verenigde Staten. “Het is wijsheid om deze bronnen serieus te nemen bij ons denken over natuur en water.”

Verband met andere SDG’s
> SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
> SDG 10: Ongelijkheid verminderen
> SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
“David Graeber suggereert dat als we de grenzen opengooien, het industriële westen wel zorgt dat mensen in het globale zuiden willen blijven wonen waar ze wonen (dit raakt aan SDG 10 en 11). Dat zou dus betekenen dat we verwoeste en vervuilde ecosystemen aldaar helpen herstellen en saneren (SDG 3), dat er geen armoede en honger is (SDG 1 en 2) én dat er genoeg schoon drinkwater is.” (Gerard Kuperus)
“Water raakt aan bijna alles. Het realiseren van het zesde SDG-doel is zeer behulpzaam voor vele van de andere duurzaamheidsdoelen.” (Igor Jellema)
Inspiratiebronnen
Lees: Braiding Sweetgrass | Robin Wall Kimmerer | 2013, Milkweed Editions
“Braiding Sweetgrass laat onszelf op een radicaal andere manier zien: dat we op intrinsieke manieren met de rest van de aarde zijn verbonden, dat we het kapitalistische model niet voor lief hoeven te nemen en dat haar inheemse taal de natuurlijke wereld tot leven brengt.” (Gerard Kuperus)
Lees verder: The Practice of the Wild en Mountains and Rivers Without End, Gary Snyder | Dogen, De Sutra van bergen en rivieren | Sand Talk, Tyson Yunkaporta |
Lessuggestie
De Marker Wadden zijn een sprekend voorbeeld van menselijk ingrijpen in de natuur om nieuwe natuur te creëren. De vraag is: is dit wel natuur wanneer het constant onderhoud vergt? Of is het, zoals Gerard Kuperus zegt, gewoon tuinieren op een grotere schaal? Het interview laat zien dat ‘water’ een allesbehalve eenduidige term is: er is veel van, maar ook te weinig, het is er altijd, maar vaak niet in de juiste vorm (zout of zoet) of hoeveelheid (te hoge of te lage waterstand).
Kunstblik: Ontklede dagen | Femmy Otten

Femmy Otten (* november 1981, Amsterdam) studeerde in Amsterdam, Den Haag en Gent. Al op haar 21e exposeerde ze geregeld in Nederland en België. De bevalling van haar tweede dochter zorgde er mede voor dat ze zich bewust werd van hoe geforceerd de kunstwereld en de kunstopleidingen omgingen met vooral het vrouwelijk lichaam. Haar werk werd explicieter, wat vaak weer afwijzende reacties opriep. In Ontklede dagen herkennen we een kraan waaruit geen water komt, maar het menselijk leven.