15 ‘Biodiversiteit is sterker en veiliger dan monocultuur’

SDG 15: Leven op het land
Bescherm, herstel en bevorder het duurzaam gebruik van ecosystemen op het vasteland, beheer bossen en wouden duurzaam, bestrijd woestijnvorming en ontbossing en roep het verlies aan biodiversiteit een halt toe.

 

Jaap Bronsveld en Constant Swinkels

In één slag kan iets kapot, maar herstel van natuur vergt vele jaren. Dat maakt bescherming van biodiversiteit en ecosystemen tot een complexe klus. Ecoloog Constant Swinkels en Jaap Bronsveld van Waterschap Rivierenland nemen ons mee de dijk op in de Ooijpolder en wijzen op de insecten, de bloemen en de valkuilen. ‘Het is bijna onmogelijk om te zeggen: ik doe iets goeds voor ‘de’ biodiversiteit.’ 

Waartoe is een dijk op aarde? We staan op een talud in de stromende regen en Jaap Bronsveld legt het uit. Hoe een dijk van binnen naar buiten wordt aangelegd. Eerst een zandkern, dan een laag klei en daarbovenop iets om te voorkomen dat het zaakje wordt weggeblazen of weggespoeld. Dat kan beton of asfalt zijn, zoals bij de zeedijken nog vaak het geval is. Maar landinwaarts zie je meestal een laag aarde met kruidenrijk gras. “Vegetatie die met de wortels helemaal in de grondlaag zit, houdt die vast als staal in gewapend beton.”

Functionele vegetatie dus, bedoeld om het water tegen te houden. Maar er kan nog zoveel meer. “Ruim honderd jaar geleden waren dijken één bonte pracht van verschillende soorten bloemen”, schildert Bronsveld het plaatje. “Elke boer onderhield zijn eigen perceeltje. De een maaide vroeg, de ander laat en de derde liet zijn schaapjes erop grazen. Zo had je vanzelf al biodiversiteit. Maar in de jaren zestig en zeventig is dat met de schaalvergroting één grote kaalslag geworden.” Constant Swinkels knikt. “We hebben in Nederland heel veel grasfalt, weilanden en bermen die voor de natuur niet beter zijn dan asfalt. Voor dieren en zeker insecten is het een enorme uitdaging geworden om nog van A naar B te kunnen. En daarin kunnen dijken een verschil maken.”

Waterschap Rivierenland begon enkele jaren geleden met het zaaien van een rijke zadenmix. Op advies van ecoloog Cyril Liebrand ontstond een dijkbeheer met later maaien, zodat planten hun zaden kunnen laten rijpen en laten vallen. Dit blijkt effectief: de Nijmeegse hoogleraar Hans de Kroon toonde binnen het project Future Dikes onlangs aan dat soortenrijkdom erosiebestendige dijken bevordert. “Hoe meer soorten er op de dijk staan, hoe sterker die wordt”, vertelt Bronsveld. En anders dan gedacht verdringen grassen en kruiden elkaar niet, maar versterken ze elkaar juist. Biodiversiteit blijkt sterker en veiliger dan monocultuur.

Kaartenhuis
Is biodiversiteit behalve voor de dijken ook gunstig voor de natuur? We kunnen toch ook best met minder soorten toe? We zitten inmiddels hoog en droog bij Oortjeshekken als die vraag op tafel komt. En Swinkels moet ervan zuchten. Het voelt voor hem als vragen naar de bekende weg, een vraag die louter voortkomt uit nutsdenken. Hij citeert zijn promotor Hans de Kroon: “Ik kan mijn pink er ook wel afhakken en toch doorleven, maar is dat de discussie die we moeten voeren? Dat is spelen met vuur.” Toch legt hij het met plezier nog eens uit. “Eén soort kun je misschien wel missen, maar twee, drie? Op een gegeven moment slaat de boel om en is het klaar.” Het mag lijken alsof de natuur ietwat overdadig is in soortenrijkdom, maar daarmee dekt ze zich in tegen rampen: als één soort (tijdelijk) wegvalt, kunnen andere het systeem nog draaiende houden. Maar het is als met een kaartenhuis: op een gegeven moment dondert de boel in elkaar.

Bovendien overzien we nog lang niet helemaal hoe ecosystemen functioneren en wat de rol van elke soort daarin is. Swinkels geeft een voorbeeld uit zijn eigen onderzoek naar insecten. “Stel, je hebt een weiland met tien soorten bloemen, de honingbij, de generalist onder de bijen, zal ze allemaal bezoeken. Dan kun je vragen: waarom zijn die specialisten onder de bijen, die maar één bloem bezoeken, dan nog nodig? Het probleem is dat die generalist eerst naar een roos, dan naar een boterbloem en daarna naar een klaver gaat en dan pas weer teruggaat naar een roos. Maar voor een efficiënte bestuiving moeten de pollen van de roos bij een andere roos komen en niet bij een boterbloem of klaver. Wat blijkt: onder bijen ontstaat er lerend vermogen: er is al iemand bij die roos geweest, dan ga ik wel naar de klavers. Zo komt er efficiëntie in het systeem en dat is te danken aan de soortenrijkdom.”

Jaap Bronsveld

Bronsveld noemt als ander voorbeeld de door algen overwoekerde sloten waar hij als student onderzoek naar deed. “Het blijkt dat het hele systeem omslaat als er een bepaalde fosfaatdrempel wordt gepasseerd. Alleen brasem en algen overleven dat. Je weet niet waar het fout gaat als één tandwieltje de andere kant op draait. Ik ben als de dood dat we wereldwijd over de drempel heen schieten door wat voor factor dan ook. Dat de oceanen in groene algensoep veranderen, daar kan ik echt van wakker liggen.” Want vervuiling of verstoring in het systeem is soms wel terug te draaien. Maar de schade herstellen duurt veel langer dan ze aanrichten. “De Nederlandse sloten hebben we in tien, twintig jaar volgestopt met fosfaten uit wasmiddelen en we zijn nu al vijftig jaar bezig om het eruit te halen.” Swinkels knikt. “Die enge dingen zie je op dijken ook. Twee jaar verkeerd maaien op deze dijken en je bent decennialang bezig om terug te krijgen wat je verloren bent.”

Geen wonder dat Bronsveld wakker ligt van wereldwijde verstoringen. De natuur is veerkrachtig, maar herstel van ecosystemen vraagt behalve veel tijd ook geld en de politieke wil om op de lange termijn te denken. Toch is behoud en bescherming van biodiversiteit essentieel. Swinkels spreekt van een ethische plicht: “We moeten ons serieus afvragen hoe we met onze aarde omgaan. We kunnen niet doorgaan met de natuur uitputten.”

Omdenken
Behoud en bescherming van biodiversiteit verdienen dus wereldwijd aandacht. Want ontbossing, verwoestijning en vervuilde oceanen vormen een serieuze bedreiging voor de planeet. Waar ter wereld je de klus ook aanpakt, eenvoudig is het niet. Er zijn veel factoren om rekening mee te houden. Dat zien we al bij iets relatiefs eenvoudigs als het dijkbeheer. Want wat is precies de juiste maatregel? Neem het maaien van de dijken. Noodzakelijk, want als je dat niet doet, gaat het gras plat liggen en schimmelen, en help je zowel de veiligheid als het ecosysteem om zeep.

Om het systeem intact te laten, laat men in bermen en weilanden tegenwoordig vaak een strook ongemaaid. Maar, legt Swinkels uit, daarmee beperk je de biotoop. “En dat gaat ten koste van de kwetsbare insectensoorten, blijkt uit mijn onderzoek. De stoere jongens zoals de honingbij duwen de andere insecten eruit en domineren de strook.”

Het gefaseerde maaien dat Waterschap Rivierenland sinds enkele jaren doet, is beter. Hierbij maaien lokale aannemers ergens tussen mei en juli het binnen- en buitentalud op verschillende momenten. “Je maait, laat het maaisel een paar dagen liggen, schudt het nog een keer als je het komt opruimen om alle zaden eruit te laten vallen en dan kan de vegetatie zich weer opnieuw ontwikkelen”, vertelt Bronsveld. Swinkels vult aan: “Dat is ook belangrijk voor insecten, want als je het maaisel meteen afvoert, zitten die er nog in.” Het maaisel te lang laten liggen, is uit den boze, want dat verstikt de boel, waardoor alles afsterft.

Constant Swinkels

Dat vraagt om logistiek omdenken. Waterschap Rivierenland sluit voor zijn 1500 hectare dijken contracten af met zo’n twintig lokale aannemers. “We streven naar een overeenkomst die flexibel is. Dat je tegen een aannemer kunt zeggen: doe het hier wat eerder en daar wat later. Daar staat veldsalie, sla die even over en kom over drie weken terug. Dan moet die aannemer wel de mindset hebben om dat belangrijk te vinden.”

En dan is er nog het weer. Want je kunt niet maaien als het regent. “Voorjaar 2024 was extreem nat, toen moesten we alle goede bedoelingen van gefaseerd maaien parkeren. We waren al blij dat we überhaupt het gras van de dijk konden halen zonder al te veel schade.”

Swinkels wijst erop dat het weer ook bepaalt wanneer zaden rijpen. “En dat vraagt weer om kennis. Eigenlijk zou er iemand moeten gaan kijken of de zaden rijp zijn of niet, maar dat is natuurlijk niet realistisch.”

Kwartelkoning
Bronsveld wijst op nog een andere factor om rekening mee te houden: wetgeving over bescherming van planten en dieren. Die kan op gespannen voet staan met behoud van een ecosysteem. “We hebben sinds kort de kwartelkoning op de Rijndijk bij Arnhem, een vogel die op de rode lijst van beschermde vogels staat. Dan mogen we er tot augustus niet maaien. Dus die kwartelkoning bepaalt opeens de maaiplanning die nodig is om de dijkvegetatie divers en sterk te houden.”

Swinkels vindt dat van de zotte. “De kwartelkoning is helemaal geen soort voor dijken. Dat die daar per ongeluk nestelt, is hartstikke leuk, maar je kunt je afvragen of die vogel daar beschermen nu de bedoeling van de wet is.” Hij wil het nog wel scherper formuleren: “Biodiversiteit bevorder je niet met uniforme regels of wetgeving. Geen enkele maatregel is altijd en overal de oplossing.” Dat blijkt niet altijd eenvoudig te verkopen aan beleidsmakers en bestuurders. Uniform beheer is nu eenmaal makkelijker en goedkoper. Bovendien blijft biodiversiteit nog te vaak een term om goede sier te maken: kijk, wij zorgen goed voor de natuur. “Maar het is bijna onmogelijk om te zeggen: ik doe iets goeds voor ‘de’ biodiversiteit, omdat je maatregel vaak maar goed is voor een setje soorten.”

Bronsveld lacht. “Inderdaad is onze beleidsdoelstelling het in stand houden of vergroten van de biodiversiteit.” Zelf worstelt hij ermee. Want hoe meer hij weet, hoe complexer het wordt. “In de Alblasserwaard zijn de dijken van vette klei opgetrokken en zijn we al heel blij met zo’n 25 tot 30 plantensoorten. Terwijl we bij zo’n aantal in de Ooijpolder zouden zeggen dat de dijken er slecht bij staan. Dat vind ik een worsteling: hoe kun je in die schakering van je hele gebied toch streven naar behoud of vergroting van biodiversiteit?”

Hij is dan ook heel blij met wetenschappers als Swinkels. “Als ik er niet uitkom, bel ik even Constant, die is altijd bereid om een kwartiertje mee te denken.” Op zijn beurt is Swinkels blij met partners als het waterschap. Het houdt hem als wetenschapper scherp en met beide voeten in de klei. “Anders doe ik voorstellen vanuit mijn onderzoek die in de verste verte nergens op slaan.”

Zijn onderzoek, hoe fundamenteel ook, komt voort uit vragen vanuit die praktijk. Zoals het onderzoek waarin hij vergeleek hoe lang een insect vertoeft op inheemse en gecultiveerde korenbloemen. “Doen we nu moeilijk met z’n allen door alles inheems te nemen of slaat dat wél ergens op? Uit mijn onderzoek blijkt dus het laatste: inheemse planten zijn geliefder bij bestuivers. Dan kun je als maatschappij zeggen: oké, we weten het nu, stop maar met onderzoeken. Maar dan komt de nerd in mij boven die denkt: Hoe zit dat dan?! Waarom vinden ze die inheemse lekkerder? En hoe weten ze dat? Heeft dat met geur te maken? Het leuke is dat als ik mijn onderzoek presenteer aan mensen, iedereen wil weten hoe het zit. Zo bevorder je bewondering en waardering voor de natuur.”

‘Wetgeving over bescherming van planten en dieren kan op gespannen voet staan met behoud van een ecosysteem’

Natuurbeheer en -behoud vragen om langetermijnbeleid. En, gezien de wispelturigheid van de politiek, om een lange adem. Bronsveld houdt zichzelf dan ook vaak de woorden voor die hij ooit leerde van een wijs mens: “‘Je verwacht te veel van wat je in één jaar bereiken kunt en te weinig van wat je in tien jaar bereiken zult.’ Dus kijk in je realisatie altijd tien jaar terug, dan heb je meer bereikt dan je durfde dromen.”

Anders gezegd: tel je zegeningen in plaats van je verliezen. “Binnenkort heb ik een bijeenkomst met het Nederlands netwerk van dijkbeheerders, vijftig mensen bij elkaar die praten over de gezonde bodem. Een deel daarvan durft al holistisch te kijken naar zijn dijk. Dat is wat we moeten bereiken met elkaar, dat we als werkveld en maatschappij heel anders gaan kijken.”

Swinkels knikt. “Dat houd ik mijn studenten ook vaak voor: dit is mentaal best een lastig werkveld. Je hebt het gevoel te vechten tegen iets wat zo vele malen groter is dan jij en dat je niets kunt bereiken. Tegelijkertijd houd ik me eraan vast dat als je enthousiast over natuur vertelt, niemand van mening is dat natuur oninteressant en onbelangrijk is.” Achterom kijkend: “Vijftig jaar geleden hadden we het nog over de volledige inpoldering van de Waddenzee. Als je dat nu durft te zeggen, word je voor gek verklaard. En het idee om biodiversiteit terug te brengen in het agrarisch gebied raakt ook steeds breder geaccepteerd. In een presentatie voor boeren zei ik eens: biodiversiteit op je terrein is iets waar je trots op mag zijn. En driekwart van de zaal beaamde dat. Natuurlijk zijn er mensen die daar anders over denken, maar de meerderheid denkt: verhip, dat is zo.” Daarom vindt Swinkels het zo belangrijk om de maatschappij in te trekken, met boeren te praten en in buurthuizen presentaties te geven.

Dus ja, hoe moeilijk soms ook, ze gaan onverdroten voort. “Ik houd mijn hart vast met dit kabinet (kabinet-Schoof, red.) en met president Trump. Maar dat ontslaat je niet van de plicht om door te gaan op het pad waarvan je overtuigd bent”, zegt Bronsveld. Swinkels citeert ecoloog Stephen Pacala, die bij het in ontvangst nemen van zijn eredoctoraat aan de Radboud Universiteit zei: ‘Op het moment dat je cynisch wordt, heb je verloren. Je moet het jezelf niet gunnen om cynisch te worden.’

En nogmaals, ze boeken vooruitgang. Niet alleen op de dijken, maar ook in de landbouw. “In al die systemen kijken we hoe we de natuur weer een plek kunnen geven, zodat we uiteindelijk op grote schaal overal weer gezonde natuur hebben”, zegt Swinkels. “Wat ik mooi vind om te zien, is dat dat steeds meer tussen de oren komt te zitten. En het fijne is: je kunt niet alles altijd goed doen, maar je kunt wel veel dingen doen die de goede kant opgaan.”

 

Verband met andere SDG’s

> SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
“Voor een waterschap gaat het letterlijk om het welzijn van mensen: veiligheid tegen watersnoden. En ons werk gaat hand in hand met het behoud van biodiversiteit en weerbaarheid tegen klimaatverandering. Daarmee dragen onze dijkvegetaties bij aan een gezonde maatschappij. Veel mensen varen daar wel bij: agrariërs profiteren van de wilde bijen voor bestuiving, burgers genieten van de bloemenlinten. Win-win in alle opzichten.” (Jaap Bronsveld)

> SDG 8: Eerlijk werk en economische groei
“Ik zou het heel mooi vinden dat een boer subsidie krijgt voor natuurbeheer, omdat je ook landschapsbeheerder bent. Zo’n financiële tegemoetkoming motiveert om het goede te doen. Anders heb je vaak geen keuze. Een boer kan nu eenmaal niet zeggen: dan verlaag ik mijn productie wel om iets te doen voor biodiversiteit. Dat is hetzelfde als zeggen: dan ben ik over een jaar failliet. Dat is geen onwil, maar onmacht.” (Constant Swinkels)

 

Inspiratiebronnen

Bekijk: Klaprozen | Monet, 1873 | Musee d’Orsay
“Dit kleurrijke, impressionistische schilderij van Monet toont een helling met klaprozen op de voorgrond, met tussen het felle rood diffuse tonen van andere bloemen. Het geheel straalt rust en balans uit en het ‘nutsdenken’ ontbreekt. Monet schilderde dit in Argenteuil, een plaats langs de Seine. Ik stel me zo voor dat dit een dijktalud langs die rivier is. Is het een realistisch schilderij, geeft het de werkelijke vegetatie weer? Ik denk het niet, daar gaat het een impressionist niet om. Maar rust en balans die hij verbeeldt, zijn ook sleutelfactoren voor behoud van biodiversiteit. Zijn schilderij schept ruimte om te genieten en ons te verwonderen?” (Jaap Bronsveld)

 

Lessuggestie
In het interview spelen twee termen op de achtergrond: ecosysteem en omslagpunt. In een ecosysteem, zoals op en rond dijken, bestaat een soms wankel evenwicht tussen verschillende dier- en plantensoorten. Eén soort kan misschien verdwijnen zonder de andere te schaden, maar er komt een punt dat het systeem als geheel instort. De mens heeft daarin, in de woorden van Constant Swinkels, ‘een ethische plicht’. Met andere woorden: ook wij maken deel uit van het ecosysteem van de bloeiende dijken.

Lees hier een praktische lessuggestie.

 

Kunstblik: Aus Herzen und Hirnen sprießen die Halme der Nacht | Anselm Kiefer

 

Aus Herzen und Hirnen sprießen die Halme der Nacht, 2011 | Olie, emulsie, acryl, schellak en krijt op doek, 280 x 570 x 7 cm | Museum Ludwig, Keulen.

Anselm Kiefer (*8 maart 1945, Donaueschingen) begon in 1965 aan een studie rechtswetenschap en romanistiek. Beide maakte hij niet af. Van zijn vader, docent kunstvakken, had hij als kind al allerlei technieken geleerd en daar ging hij mee door. Het werk van Kiefer kenmerkt zich door een haast sculpturale toepassing van allerlei verschillende materialen, zoals aarde en stro, in wat als schilderij tentoongesteld wordt. Daarbij speelt de Duitse geschiedenis en vooral die van de Tweede Wereldoorlog een prominente rol. Zo worden in dit werk de halmen der nacht, een mogelijke verwijzing naar graan, voorgesteld door een aantal zeisen, die juist het graan afsnijden.

Licentie

Icoon voor de Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License

De kracht van verbinding Copyright © 2026 by Paul van den Broek en Bea Ros is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License, except where otherwise noted.