14 ‘De viskweek kán een uitweg zijn voor de soort’
SDG 14: Leven in het water
De oceanen, zeeën en zoete wateren op aarde herbergen immense ecosystemen waarin vissen een cruciale rol vervullen. De toenemende negatieve effecten van klimaatverandering, overbevissing en vervuiling vormen een bedreiging voor zowel de intrinsieke waarde van die ecosystemen zelf als het nut en plezier dat mensen eraan ontlenen.

Vissen vervullen in waterecosystemen een cruciale rol, maar hun leven is steeds minder zeker. Hoogleraar Dierfysiologie en vissenkenner Gert Flik is al ruim vijf jaar met emeritaat, maar maakt zich nog steeds zorgen om het welzijn van vissen. Onder meer paling geniet zijn warme belangstelling, óók omdat die zo lekker is. ‘De viskweek kán een uitweg zijn voor de soort.’
De paling staat al jarenlang op de rode lijst van bedreigde soorten, wat Gert Flik motiveert zijn verhaal over het bedreigde waterleven te situeren bij palingkwekerij Rijpelaal in Helmond. Is dit de uitkomst voor behoud van de soort? Is er voldoende aandacht voor het welzijn? Hoe gelukkig is deze zo stressgevoelige vis in gevangenschap? “Vissen kunnen zich extreem goed aanpassen; de viskweek kán een uitweg zijn voor de soort.”
Op afstand lijkt palingkwekerij en rokerij Rijpelaal nog gewoon een van de vele bio-industriebedrijven die Brabant rijk is. Ook op deze palingkwekerij domineren grote stallen het beeld. Pas bij de entree valt iets bijzonders op: een terras nodigt uit voor een glas en een hapje, op een kaart met uiteraard een broodje paling en een bord palingsoep – en meer vislekkernijen. Deze gastvrijheid is precies wat Flik aantrekt in Rijpelaal, een bedrijf dat hij kent dankzij Freya Welten, zijn oud-student die nu als bioloog verbonden is aan deze palingkwekerij, die zich afficheert als ‘duurzaam en traditiegetrouw’. Flik is er één keer eerder geweest. “Dit bedrijf heeft niks te verbergen, bijzonder in de vaak zo gesloten bio-industrie. Je krijgt hier echt alles te zien.”
Gerookte paling
Freya Welten zet inderdaad de deuren wijd open en toont tijdens haar rondleiding door het bedrijf bijna alle stappen in een palingleven. Bijna alle levensfases, want de jonge beestjes – glasalen genoemd – worden ingevlogen. Het paaigebied van de paling ligt in de Sargassozee aan de ‘overkant’ van de Atlantische Oceaan, dé kraamkamer van de Europese paling. Na bevruchting van de eitjes volgt een reis van zo’n twee jaar waarin de larven zich ontwikkelen tot glasaal. De dan zo’n twee jaar oude aaltjes worden in een van de zeven palingkwekerijen in Nederland opgekweekt tot ongeveer tweehonderd gram, met uitschieters tot een kilo, waarna ze, op vierjarige leeftijd, een einde vinden als gerookte vis of filet, klaar voor consumptie. “Een echte lekkernij”, weet Flik, die als erkend hobbykok zijn onderzoeksobject graag op tafel zet. “Maar niet voor elke dag”, zegt hij, “het is wel een heel vette vis.”

Rijpelaal levert zowel levende paling (voor uitzet in hun natuurlijke omgeving) als gerookte paling. Geregen aan spiesen worden vissen van consumptiemaat warm gerookt boven een vuur van vers beukenhout. “Een kenner kan proeven van welk bedrijf een paling komt”, zegt Welten. “Bij ons geeft het beukenhout de bijzondere smaak.”
De rondleiding eindigt op het kantoor, waar ook directeur Paul Meulendijks aanschuift, en Flik de rijke traditie van paling eten ter sprake brengt. “Al in mijn jeugd waren er op kermissen de palingstalletjes. Vers uit het IJsselmeer, kreeg je altijd te horen van de verkoper.” Die stalletjes zijn er nog steeds en nog steeds komen ze desgevraagd uit het IJsselmeer. “Dat horen kopers graag, maar het klopt meestal niet; slechts een enkele paling komt ervandaan.”
Paul Meulendijks vult aan: “De reputatie van de viskwekerij is nu eenmaal niet zo goed. Mensen denken dat er in de kweekbakken geen fijne dingen gebeuren. Daarom zet ik graag de deuren open: kom maar kijken hoe goed ze hier leven.”
Rode cijfers
Waarom vangen we de vis niet meer gewoon uit de zee? Waarom is het nodig om de paling in gevangenschap tot wasdom te brengen? Het is immers nogal een verschil voor de dieren. In ‘het wild’ krioelen honderden miljoenen larven in de Sargassozee, die vervolgens in twee jaar via de Atlantische Oceaan naar Europa trekken, dan zo’n zeven jaar doorbrengen in onze randzeeën en estuaria, om vervolgens terug te keren naar de plek van hun jeugd om te paaien, waarna de cyclus zich herhaalt.
En dan het leven in gevangenschap: op tweejarige leeftijd word je uit zee geschept, per vliegtuig linea recta vervoerd naar een kwekerij waar je wordt vetgemest om na twee jaar op ons bord te belanden. Geen negen of tien, maar vier levensjaren, in plastic bakken om in te poedelen, in plaats van zwemmen in een zee of binnenwater.
Over de levensduur maken de gesprekspartners zich niet zo druk. “Daar denk je als mens aan, daar is de vis zich niet van bewust”, zegt Flik. Het grote verschil zit in de kwaliteit van leven en die is volgens hen in de wilde wateren niet per se beter dan in de kweekbakken. “Ga er maar aan staan”, zegt Meulendijks. “Hoeveel glasalen kunnen überhaupt uitgroeien tot volwassen paling die de trek terug kan maken naar het paaigebied?” Het antwoord ligt in de vraag besloten: niet zoveel.
Anders dan vroeger vinden de palingen inmiddels tal van barrières op hun levensweg. We hebben boortorens, windmolenparken, waterkrachtcentrales, dammen, dijken en sluizen aangelegd. “Wil je een palingleven ingewikkeld maken, moet je precies dít doen”, luidt het aan tafel. En in combinatie met een steeds sterker verontreinigde leefomgeving, een opgewarmde zee én overbevissing is het leven in het wild ‘extreem moeilijk’ geworden. Daarom staat de paling ook op de rode lijst van bedreigde soorten.
Overigens zijn deze rode cijfers niet boven elke twijfel verheven. Tegenover de claim van het dierenwelzijn dat van de paling in Europese wateren ‘nog maar ongeveer 1 tot 3 procent over (is) van het aantal dat er in de jaren zeventig zwom’, staan rapporten van de visserijsector, met als voornaamste argument dat we domweg te weinig weten over de palingstand: eerst beter meten, dan pas oordelen, aldus het devies. Flik is niet somber gestemd over de palingen in zee: het genoemde rapport rept van vele miljoenen palingen in alleen al de Europese wateren. “Maar een succes kan omkeren in een tegendeel, want opnieuw dreigt dan overbevissing.” Die dreiging hangt altijd in de lucht, zo wijst hij op de overbevissing van kabeljauw in de wateren rondom Newfoundland. “Einde kabeljauw en voorlopig einde van de visserij. De hele economie, waarin de visserij een cruciale plaats innam, ging onderuit.”
Kweek- of wildleven?
Welten en Meulendijks vergelijken de levenscyclus van de in het wild bedreigde paling met de cyclus van de paling in gevangenschap. En ze durven de stelling wel aan: het voortbestaan van de paling ligt in handen van de kwekerijen. “Ze redden het in zee niet door alle verstoringen”, zegt Meulendijks, “en we hebben nauwelijks invloed om dit ten goede te keren. Het in de natuur terugzetten van jonge door ons opgekweekte paling is tenminste een eerste stap richting een duurzaam beheer.”
Welten benadrukt dat het bedrijf op twee pijlers rust: “We kweken paling niet alleen voor de consumptie, maar ook om de palingstand te beheren.” Want juist dankzij de inzet van de sector – alle kwekerijen volgen deze lijn – wordt de palingstand in land en op zee opgekrikt. Ieder jaar zet Rijpelaal tien procent van de in Helmond opgekweekte jonge paling uit in het wild, in de verwachting dat ze op kweek sterk genoeg zijn geworden om de paaigebieden te bereiken. Meulendijks: “Als de kwekerijen er níet zouden zijn, wie zet dan nog paling uit? Wie zet zich dan nog in om de palingen over de barrières te helpen?” Dit laatste verwijst naar de inzet van DUPAN, een samenwerkingsverband van Nederlandse palingkwekers en – handelaren, om volwassen vissen over de dijken te helpen op weg terug naar zee. “Iedere visliefhebber moet blij zijn met DUPAN”, zegt Meulendijks. “Dankzij deze acties is er nog hoop voor de paling, anders is het klaar.”
De duurzaamheidssector in Nederland – voor de vissen vooral de Compassion In World Farming (CIWF) – ziet weinig in deze redenering. Als het niet meer in de natuur kan, dan niet, luidt het argument, met de aanbeveling de krachten te bundelen om de obstakels in de wateren aan te pakken. Ook wijst de sector op het ontbrekende bewijs over het welslagen van het uitzetten op zee. Er is nog geen bewijs dat uitgezette palingen bijdragen aan de natuurlijke voortplanting in de Sargassozee’, is het argument. “Dit klopt”, zegt Flik. “Wetenschappelijk bewijs over het welslagen hiervan ontbreekt nog; het is erg moeilijk om palingen te tracken.”
Meulendijks zou graag harde cijfers op tafel willen leggen om het effect van de uitzettingen te bewijzen. Een mogelijke doorbraak op dit punt ligt in Zweden, weet hij. “Ze zijn erin geslaagd glasaaltjes te labelen; die kunnen dan gevolgd worden.”
Vissenstress
Een ander punt van kritiek is dat het dierenwelzijn op de kwekerijen niet is gewaarborgd. Rapporten van de duurzaamheidsbeweging wijzen op het ontbreken van natuurlijk gedrag (jagen, schuilen, paaien) en op de geringe mogelijkheid om alleen te zijn. In de bakken kan stress ontstaan, afhankelijk van de soort en de dichtheid. Zo wordt herhaaldelijk de noodklok geluid: in 2021 in het rapport Vee-industrie onder water, twee jaar later in een brandbrief aan het Europees Parlement, Rethinking EU aquaculture for people, planet and animals.

Je kunt Flik ’s nachts wakker maken om over vissenstress te praten, maar deze noodklokken vindt hij te luid. Zo kun je niet van ‘de vis’ spreken, aangezien er wereldwijd maar liefst 35.000 soorten zijn. Maar vooral omdat het begrip ‘stress’ te ingewikkeld is voor oneliners. Je dient twee soorten te onderscheiden, legt hij uit: distress en eustress. De eerste is slechte stress, waaraan een vis zich niet langer kan aanpassen – denk aan isolatie, vergiftigd water of te hoge dichtheden. Maar eustress, de goede stress, houdt in dat er prikkels (kunnen) zijn die de vis juist sterker maken. “Zulke prikkels zijn onontbeerlijk om langer te leven, daar móet je liefst mee leren omgaan, en juist een vis kan veel van zulke prikkels verdragen”, zegt Flik. “Je moet leren van je af te bijten, een zekere strijd om het voedsel kunnen aangaan, anders overleef je niet.” Vissen hebben een prachtig stresssysteem ontwikkeld, legt hij uit: “Kieuwen en huid vormen een delicate barrière tussen vis en water en maken vissen heel gevoelig voor povere waterkwaliteit en temperatuurschommelingen. Ze zwemmen bovendien letterlijk in de ziektekiemen. Dat vraagt om een goed aanpassingsvermogen en een sterk immuunsysteem. En dat hébben vissen, ze zijn een succesformule van de evolutie.”
Een paling met slechte stress is goed herkenbaar door atypisch gedrag en vooral roodgekleurde vinnen. Flik heeft in de bakken in Rijpelaal zulke stress niet waargenomen. “Dat ze in een onontwarbare kluwen door elkaar zwemmen, lijkt voor een leek mogelijk stressvol, maar is het niet; dit is natuurlijk gedrag.”
Flik wil weten wat de sterfte in de bakken is. Want dat is dé indicator om uit te wijzen of de levensomstandigheden al dan niet deugen. De hoogleraar kijkt op van het antwoord: hooguit vijf procent. “Zo weinig! Dan weet je dat deze vissen in deze bakken de gelegenheid krijgen om het leven aan te gaan.” “Ja, een mooi cijfer”, beaamt Meulendijks. “En al jaren stabiel. Kom daar maar eens om in de natuurlijke omgeving.”
Gelukkig leven
Niet sterven is niet hetzelfde als gelukkig leven. Wandelend door de kwekerij reppen tekstpanelen op de bakken van een goed en duurzaam palingleven. In de grote hal van Rijpelaal tellen we 28 opkweekbakken met daartegenover 36 bakken om de paling vet te mesten, alle drie bij vier meter en drie meter diep. Aan de korte zijde van de palingfarm staan een paar ‘uitzwembakken’, waar de vissen hun laatste dag leven, zonder voer om zo de darmen te legen, wel zo aangenaam voor de fileerders die na de genadeslag voor de vis (een wettelijk voorgeschreven pijnloze en snelle elektrocutie) de vissen ontdoen van de ingewanden.
‘7 recirculaire systemen met biologische filters’, vermeldt een van de borden, wat erop wijst dat de in totaal één miljoen liter water voortdurend wordt ontdaan van het onvermijdelijke afval, in een eigen waterzuiveringssysteem. “Drie keer per uur gaat gezuiverd water de bakken in”, verklaart Welten. Uit het afval dat resteert, wint het bedrijf restwarmte voor de verwarming van het bedrijf. Verder levert een hele batterij zonnepanelen op het dak een belangrijke bijdrage aan de energiereductie. ‘100 procent gasvrij sinds 2006’, zoals een van de panelen vermeldt.
De prijzende panelen reppen niet van het vissengeluk. De leek moet kijkend in de op het oog overvolle bakken ernaar gissen. In het bedrijfsrestaurant staat een aquarium waarin vijf palingen zo te zien een prima leven leiden: lekker veel ruimte en ‘speelgoed’ in de buurt, en boomstronken om zich achter te verschuilen. “Maar ook hier zitten de vissen bovenop elkaar; het is hun natuurlijk gedrag om over elkaar heen te bewegen”, licht Flik toe. “Met het huid-op-huid-contact wisselen de palingen signalen uit om elkaars weerstand te versterken.” Je moet kortom weten waar je precies naar kijkt, aldus Flik. “Je moest eens weten wat ze met elkaar uitspoken! Visjes die kieuwen van andere vissen schoonmaken, sommig gedrag houd je nauwelijks voor mogelijk. Al die dingen ontdek je alleen door goed te kijken. Ik zeg altijd tegen mijn studenten: ga eerst maar eens een halve dag voor het aquarium zitten.”
“De vissen kunnen in de kweekbakken de diepte in”, zegt Welten. “Maar ze zitten liever bovenin op ‘rustrekken’ dicht op elkaar.” Meulendijks vult aan: “Af en toe gaan we met netten door het water om te controleren waar de vissen zich in de bakken begeven: vrijwel alle vissen zitten op de rekken en niet op de bodem. We zouden ons zorgen moeten maken als dat níet zo is. Deze vissen zitten graag dicht op elkaar.”
En ’speelgoed’ of boomstronken in de kweekbakken gaat niks helpen aan hun geluk, zegt Welten. “Je leest wel over pvc-buizen voor de afleiding, maar daarin zwemmen palingen zich al te makkelijk vast; dát levert past stress op.”
Flik heeft in zijn lange werkzame leven zoveel vissen bestudeerd, dat hij zich inmiddels goed kan inleven in het gevoel van de vis. “Deze palingen zijn gelukkig”, oordeelt hij. “Het feit dat de palingen goed eten en hard groeien is een bewijs.”
“Misschien nog wel gelukkiger dan hun leven zou zijn op zee”, meent Meulendijks.
“En dat moet ook”, zegt Welten. “Het geluk van de paling gaat ook ons aan het hart. Een kweker is pas blij als ook zijn vissen gelukkig zijn.”
‘Ook ons gaat het vissenwelzijn aan het hart’
Boven alle kweekbakken gaan tonnetjes rond die drie keer per uur een uitgekiend menu voor de palingen loslaten. De glasaaltjes doen zich tegoed aan kabeljauwkuit. Als ze wat groter zijn wacht een menu van korrelvoer. “Wat zit er precies in die korrels”, wil Flik weten. Zijn vraag raakt aan een van de grootste knelpunten van de dierkweek, of het nu om runderen, kippen, varkens of vissen gaat: als hun voer evengoed voor mensen geschikt is, kun je dit veel beter direct aan de mensen voorzetten. Vooral runderen verorberen een immense hoeveelheid ook voor mensen geschikt voedsel, ook om ‘hun eigen kachel warm te houden’. De claim van vegetariërs en veganisten klopt, zegt Flik: de weg via het dier levert een groot verlies op.
Maar op die verliesladder staan vissen op de laagste treden, zegt hij. “Het is een ‘koudbloedige’ soort, die minder voedsel nodig heeft om zelf in leven te blijven. Vissen verliezen nauwelijks energie om de lichaamstemperatuur op peil te houden, al zijn er ook hierop weer uitzonderingen. Relatief veel van wat erin gaat, komt op ons bord terecht.” Maar ook op dit punt bestaat ‘de’ vis niet: vleesetende soorten als zalm en forel staan een paar treden hoger, een herbivoor als de karper scoort het beste. De paling zit er tussenin, dichter bij de zalm dan bij de karper.
“In onze korrels zit net als in het voer in de meeste kwekerijen vooral vismeel verwerkt”, zegt Meulendijks. Experimenten om in de viskweek – niet alleen voor de paling – een herbivorenmenu te realiseren, zijn weinig succesvol, weet Flik. “Een vis die zelf vis of vlees eet, smaakt ook domweg beter. Je mag dit economische aspect in de viskweek nooit negeren.”
Anti-kwekerijorganisaties verwijten de sector de zee alsnog leeg te vissen. ‘Voor 1 zalm uit een kwekerij zijn gemiddeld 440 vissen gestorven’, aldus een rapportage, die voorrekent dat negentig procent van de wilde vissen verwerkt tot vismeel en -olie prima bij ons in de pan kan.
Visliefhebber Flik plaatst kanttekeningen. Veel van de gevangen vis is beschadigd, door onvoorzichtige omgang met haken en netten, hebben huidbloedingen of een niet aantrekkelijk ogend donker buikvlies, en soms ook een vieze grondsmaak. “Die zijn nauwelijks verkoopbaar. Al dat grut wordt echt niet door de mens gegeten of gekocht, maar kan wel tot goed voer worden verwerkt. Veel van de bijvangst die verwerkt wordt tot voer voor kweek is voor de mens te onaantrekkelijk.” Welten noemt als andere kanttekening dat al hun voedselleveranciers een duurzaamheidskeurmerk hebben. “Niet alleen wij werken duurzaam, dat verwachten we ook van de keten waarin wij werken.”
Je houdt met het oog op consumptie een beperkt rijtje vissen over, maar alsnog keuze genoeg, luidt het. “Er vallen soorten af, die je dus net zo goed als visvoer kunt benutten”, zegt Welten. “Wij eten het toch niet.”
Geen vissen eten
Waarom laten we het ecosysteem onder water niet gewoon helemaal met rust? Waarom halen we al die miljoenen vissen uit zee, die al dan niet via de kwekerijen een einde vinden in onze keukens? Is een ban op vis eten een haalbare weg?

Gert Flik aarzelt. “Ik vind dit een heel moeilijk topic.” Hij brengt twee argumenten in stelling tegen een ban op visvangst. Eén: “Het gaat om vraag en aanbod en de mens wil nu eenmaal vis en vlees eten en heeft een fysiologie die daar van nature op is ingesteld.” Eten moeten we toch, en vissen zijn een effectieve bron van eiwitten, stelt hij. “Mits de bijvangsten goed worden gebruikt, zie ik geen problemen.” Er is nog een tweede, mondiaal argument, zo wijst Flik op het alternatief: “Geen dierlijke eiwitbron in het menselijk dieet is nog heel ver weg. Vegetarisch of veganistisch eten vraagt een cultuuromslag die nog lange tijd gaat nemen, zeker wereldwijd.” Onze hoogontwikkelde westerse maatschappij vertegenwoordigt maar een klein percentage op aarde, zo richt Flik het vizier op vooral India en China, waar twee derde van de wereldbevolking leeft, én vis eet. “Een ban bepleiten door een Nederlandse bril is wel erg idealistisch gekleurd. Niks mis mee, maar reëel is anders.”
Er zijn ook pleitbezorger voor de viskweek, juist met het oog op het wereldvoedselvraagstuk. Flik deelt een inzicht van zijn collega Johan Verreth, hoogleraar Aquacultuur en Visserij in Wageningen: een duurzame, mondiale voedselvoorziening is alleen mogelijk met kweekvis, aldus Verreth, mits de vissen herbivoor worden gevoed. “Ik ga nog niet zover, maar er is zeker een mondiale toekomst voor kweekvis.”
Bio-industrie in de Peel
In de omgeving van Rijpelaal, de Brabantse en Limburgse Peel, staat de bio-industrie onder grote druk vanwege de milieubelasting. Rijpelaal heeft op dertig kilometer afstand op het nippertje een tweede vestiging kunnen starten, maar ook dit bedrijf loopt inmiddels in de regio tegen grenzen van uitbreiding aan. “We zouden wel willen uitbreiden, maar ook wij krijgen hier geen vergunning”, zegt Paul Meulendijks. De cijfers over de visvangst en -kweek zijn alsnog duizelingwekkend: Nederlandse vissers brengen bij elkaar 3,5 miljard vissen uit zee naar de markt. Daar komen nog eens ruim 14 miljoen vissen gehouden in kwekerijen bij.
Zou de Peel beter af zijn als alle vergunningen naar de viskweek gaan, in ruil voor opheffing van al die andere spelers in de bio-industrie, zeker wat betreft mest- en dus CO2-uitstoot een relatief milieuvriendelijk alternatief? Op deze vraag moet Meulendijks een tijdje kauwen. “Niet gemakkelijk om te beantwoorden.” De Helmondse viskweker laat zich niet uitspelen tegen zijn collega’s die dag-in-dag-uit druk zijn met hun kippen, varkens of koeien. “Ook ík ben een boer.” Meulendijks weet waarover hij spreekt: hij werd in 2012 mede-eigenaar van het bedrijf, samen met zijn vader Johan, een voormalig varkensboer die al in 1987 een begin maakte met de palingkweek.
“Alle boeren houden van hun dieren”, zegt Welten, overdag druk met vissen, om na elke werkdag terug te keren naar huis, een schapenfarm één dorp verder.
Dat de sector een kwade reuk heeft – ook letterlijk – houdt volgens Meulendijks verband met de ingewikkelde productieketen: veeboeren zijn slechts één schakel in de ketting, met verder opfokbedrijven, vetmesters, melkproducenten, slachterijen en de afzetmarkt. “Het verdiende geld wordt over alle partijen verdeeld, en veel te weinig gaat er naar de boeren zelf. Velen willen heus wel dier- of milieuvriendelijker innoveren, maar het geld ervoor is er nog steeds niet.”
In vergelijking met de vaak ingewikkelde bioproductieketens, is Rijpelaal de eenvoud zelve: bijna alles onder één dak, tot en met de verkoop in eigen winkel en webshop. Gert Flik krijgt een paar gerookte palingen mee naar huis en wil iets terugdoen. “Ik zou graag een paar studenten willen zetten op een betere website en marketing”, biedt hij aan. “Ik wens jullie veel meer palingen toe in onze keukens.”

Verband met andere SDG’s
> SDG 2: Geen honger
“De palingkweek is geen antwoord op het wereldvoedselvraagstuk, daarvoor is de vis te duur en te exclusief.” (Gert Flik)
Inspiratiebronnen
Lees: Vissen voor de keizer | Didier Decoin | Meulenhof, 2018 | vertaling door Martine Woudt van Le bureau des jardins et des étangs (2016)
“Deze prima vertaling schetst een ongelooflijk beeld van de keizerlijke plaats van vissen in het leven van de mens in China. Echt een aanrader.” (Gert Flik)
Lees: What a Fish Knows, the Inner Lives of our Underwater Cousins | Jonathan Balcombe | Oneworld Publications, 2017
“Ik kreeg dit boek cadeau na een lezing in Wageningen. Het boek is fris geschreven en ik herken er heel veel in. Mensen zoals Balcombe, die zich net als ik in de materie hebben verdiept, komen klaarblijkelijk tot vergelijkbare inzichten.” (Gert Flik)
Lessuggestie
Hoewel het interview met bioloog Gert Flik op het eerste gezicht vooral draait om soortbehoud, voedselketens en de agro-industrie is er ook een andere rode draad te ontdekken: cultuur, gewoonte en gedragsverandering. Paling is “lekker”, palingkweken gebeurt “traditiegetrouw”, er wordt verwezen naar palingstalletjes van vroeger en Flik stelt: “De mens wil nu eenmaal vis en vlees eten”. Ook is in het interview een duidelijk standpunt te zien over de rol van de mens in het beheer van ecosystemen, van het al dan niet weghalen van hindernissen in migratie van vissen tot de rol van kwekerijen in soortbehoud. Daarom draait dit onderwijsidee de discussie over vissen om, te beginnen bij het menselijk gedrag en waarom dat (niet) verandert.
Kunstblik: Deep Sea Diving in a Wheelchair | Sue Austin

Sue Austin (* 7 september 1965) studeerde psychologie aan het University College of Swansea. In 1996 begon ze als gevolg van een ziekte gebruik te maken van een rolstoel. In 2005 volgde ze een training als gehandicapte duiker en met die ervaring besloot ze opnieuw te gaan studeren, ditmaal Fine Art aan de universiteit van Plymouth. Austin specialiseerde zich in performances waarbij ze zittend in een speciaal gebouwde rolstoel het leven onder water verkent en laat zien. Een dergelijke performance vond plaats in het culturele randprogramma van de Olympische Spelen in 2012 in Londen. Wereldwijd waren er 400 miljoen televisiekijkers getuige van.