8 ‘Er is geen economische groei zonder ecologische destructie’

SDG 8: Eerlijk werk en economische groei
Bevorder aanhoudende, inclusieve en duurzame economische groei, volledige en productieve tewerkstelling en waardig werk voor iedereen.

 

Ruigoord, een ecologische idylle midden in de oprukkende industrie

Hoe het afvalprobleem serieus te nemen en niet te vallen voor sprookjes over recycling zonder restjes? Deze vraag staat centraal in het werk van filosoof Lisa Doeland. Op Ruigoord, een ecologische idylle midden in de oprukkende industrie, zoekt ze naar uitwegen. Laat de schellen van je ogen vallen, bepleit ze. ‘Dan zie je dat groene groei een gevaarlijke fantasie is.’

De aan de Universiteit van Amsterdam opgeleide filosoof Lisa Doeland zette in 2023 het vraagstuk van de ecologische crisis op scherp met haar boek Apocalypsofie. In haar proefschrift, in 2026 verdedigd aan de Radboud Universiteit, plaatst ze de op handen zijnde ecologische crisis in het licht van afval. Digesting waste (het verteren van afval) is de titel, wat precies haar inzet samenvat: afval is niet weg als we het weggooien, we hebben het te verteren, het is onder ons en ín onze lijven. Je kunt er dus ook niet van weglopen. Precies zo verknoopt Doeland de ecologische crisis met de overdaad van productie en consumptie. “Er is geen ontsnappen aan. Je kunt proberen ervoor weg te lopen, maar de gevolgen van de crisis, zoals het afval om ons heen, komen altijd weer bij je terug.” De crisis is als de maffia, zo citeert ze een maffiosi in de filmcyclus The Godfather: ‘Just when I thought I was out, they pull me back in!’

Culturele vrijhaven
Lisa Doeland neemt ons mee naar ‘culturele vrijhaven’ Ruigoord, ooit een eilandje omgeven door de zee, inmiddels ingepolderd en letterlijk ingekapseld door de petrochemische industrie in het westelijk havengebied van Amsterdam. Al ruim vijftig jaar verbeelden kunstenaars op dit gekraakte stukje grond een andere manier van leven, in samenhang met elkaar en met de natuur. Een letterlijk kleurrijk dorpje, met steeds weer nieuwe kunstinstallaties en culturele festivals. Het is de belichaming van de strijd tussen ecologie en economie, motiveert Doeland haar keuze voor juist deze ontmoetingsplaats. “Een spiegel voor een ander soort leven, voor andere vormen van productie en consumptie.” En illustratief, juist omdat de havenindustrie letterlijk oprukt en knabbelt aan de grenzen van Ruigoord. Om de drie minuten verstoort een landend vliegtuig – Schiphol is nabij – de dorpse idylle. Een megawindmolen bij de entree verspreidt haar herrie en schaduwen, terwijl tientallen silo’s pal aan de dorpsgrenzen het contrast kracht bijzetten.

Lisa Doeland

Doeland vroeg om ontheffing van de opzet van dit boek, waarin wetenschappers steeds mensen ‘uit het veld’ opzoeken. Haar verhaal kan ze veel beter illustreren met plekken: Ruigoord versus het westelijk havengebied, met Doeland zelf als commentator van de strijd die hier plaatsvindt, met een wandeling door dit bij uitstek filmisch decor. Commentaar is nodig, want je weet niet meteen wat je ziet. De jongste aflevering in de strijd ging over de bouw van een aantal nieuwe majestueuze silo’s, bedoeld voor opslag van biobrandstoffen. Groene productie dus, volgens velen goed voor de wereld, een argument dat de havenindustrie gebruikte om Ruigoord een toontje lager te laten zingen. Want die nieuwe silo’s beperkten de mogelijkheden van publieke festivals vanwege veiligheidsredenen. Waar zeur je om, luidde het argument van de industrie: ook jullie willen toch vergroening van de wereld?

Precies hier verzet Doeland de bakens. “Nederland heeft nu een minister voor Klimaat en Groene Groei. Vanuit de ideologie dat groei het uitgangspunt moet zijn en dat we daarmee verder kunnen zonder duurzaamheid geweld aan te doen. En meer nog: dat dit de enige mogelijkheid is om de toekomst vorm te geven. Ja, dat levert soms problemen op, is dan de bezwering: die kunnen we wel managen met nieuwe foefjes van de techfixers. Maar economische groei zonder ecologische destructie bestaat niet. Dat is een gevaarlijke fantasie, die diep in onze cultuur is doorgedrongen.”

Midden in de catastrofe
Doeland studeerde naast wijsbegeerte ook literatuurwetenschap en schreef daarvoor een scriptie over de figuur van de detective. Met nadruk op de speurder die mist opwerpt over wie nu aan de goede kant staat en zelf trekken van een misdager krijgt. Zo benadert Doeland ook haar denkwerk over de ecologische crisis. Wie pleegt nu precies de misdaad, en waar is de plaats delict? In de doorgedraaide cyclus van productie en consumptie spreekt ze iedereen aan: “Ben ik niet zelf ook misdadiger? Wie zijn de daders, wie de slachtoffers? Het loopt allemaal door elkaar. De vraag die ik opwerp is hoe hiermee om te gaan. Hoe we onze eigen medeplichtigheid serieus kunnen nemen.”

Neem de ecologische catastrofe serieus, we zitten er immers allemaal middenin, ook al ervaren velen dat niet, aldus de analyse van Doeland. “Een kenmerk van de catastrofe is de ongelijke verdeling. In het westen is het gemakkelijk gemaakt om in de fantasie te leven dat we het wel fixen met onze zonnepanelen, elektrische auto’s en warmtepompen, maar voor vele anderen in de wereld is de catastrofe nu al een keiharde realiteit. De helft van de inwoners van Tuvalu heeft vanwege de zeespiegelstijging, die deze eilandengroep in de Stille Oceaan hard raakt, al asiel aangevraagd in Australië, om maar een voorbeeld te noemen. Er eindigen al allerlei werelden. Wat de mensen heel ver weg van ons ondergaan, staat niet los van ons.”

‘Het afval om ons heen komt altijd weer bij je terug’

Ook de gedachte dat wij vanuit een westerse superioriteit een duurzaam elan over de wereld kunnen verspreiden, is voor Doeland de omgekeerde wereld. Juist in dit westerse streven zit de crisis ingebakken. “Hoezo Free Palestina, Congo, Iran, et cetera? Nee, het is eerst Free Europe, zoals de Nigeriaanse muzikant Sean Kuti dat onlangs scherp verwoordde. Europa moet bevrijd worden van racisme, imperialisme, kolonialisme en, in het verlengde daarvan, kapitalisme. Dáár begint het. We moeten in onze eigen wereld beginnen, onder ogen zien dat het heden waarin we leven een doodlopende weg is. De inzet is hoe we ons heden anders kunnen gaan vormgeven, zónder de gevolgen van ecologische destructie, voor onszelf en voor de rest van de wereld.”

Marx als inspiratie
Om de destructieve krachten van de heersende economie te schetsen, gaat Doeland onder meer te rade bij Karl Marx. Die leert dat de catastrofe binnen het huidige kapitalistische systeem van productie en consumptie ligt verankerd, en dus niet zomaar een tijdelijke fase is die wel weer voorbijgaat. Kernbegrip hierbij is de door Marx beschreven metabolic rift, lees: een kloof tussen mens en milieu als gevolg van een industriële onderwerping van de aarde door landbouw en industrie – een ‘stofwisseling’ die zowel de grondstoffen uitput als de mensen zelf. Marx illustreert zijn analyse met de behoefte aan meststoffen voor de Engelse landbouw, in eerste instantie ingelost met uit Peru geïmporteerde guano, natuurlijke mest van zeevogelpoep. Dat raakte een keer op, waarna de uitvinding van kunstmest de machine draaiende hield. En zo zal het doorgaan, schetst Doeland: de onstilbare honger van het productieproces die van het een tot het ander leidt, totdat de ermee gepaard gaande rotzooi op een gegeven moment alle grenzen te buiten gaat. “Er komt een moment dat de uitputting zó groot is, dat het niet meer gaat, bijvoorbeeld als de kosten om de grondstoffen te winnen hoger worden dan de opbrengsten. Als de winning van energie meer energie gaat kosten dan dat het oplevert.”

De ophoping van afval is in zo’n cyclus symptomatisch. Die wordt pas een probleem als het de cyclus zelf dreigt te verstoren. Dus als je de cyclus op gang houdt, wat nu gebeurt, kun je in ogen van Doeland wel blijven recyclen en opruimen, maar zonder enig echt resultaat. Een kenmerk van het moderne afval is volgens Doeland de ‘onverteerbaarheid’ ervan. “Het geeft niet te eten, plastics en sigarettenpeuken doen niemand goed, die komen steeds zwaarder op de maag van de wereld te liggen.” Plastic uit de oceanen scheppen om te recyclen houdt de molen draaiende, zo ook het door velen keurig gescheiden afval. “Zoals shit niet verdwijnt als we onze wc doorspoelen, verdwijnt het afval niet door het braaf naar de milieustraten te brengen.” Erger nog: iets ís al bijna afval als het nog in de winkels ligt. “Al dat goedkope spul wil je op z’n best nog een keer repareren, en smijt je gemakkelijk weg, omdat het toch weer goedkoop nieuw is aan te schaffen.”

Doeland poseert bij een container van een afvalverwerkingsbedrijf, met daarop ‘Waste no More.’ “Onzin, een slogan van de marketingmensen, die hiermee, misschien niet bewust, de cyclus van produceren, consumeren en weggooien draaiende houden.”

Fast fashion
Voor wie nadenkt over duurzaamheid in relatie tot consumptiegedrag, is fast fashion nooit ver weg. De razendsnelle opeenvolging van collecties samen met webwinkels als Shein, geniet ook de aandacht van Doeland. Productie- en consumptiedwang gaan hier hand in hand, een moeilijk te doorbreken symbiose. Niks tegen kledingkopen, zegt Doeland, daar kan ze zelf ook van genieten. Ze vertelt over de stedentripjes die ze met haar dochter maakt, gekleurd door het plezier van samen shoppen en jurken kopen. “Jezelf uitdrukken in kleding is fijn, ik snap die behoefte heel goed.”

Waar wordt het problematisch? “Bij de vluchtigheid, de tijdelijkheid, de collectie die even in is en hup, weer weg kan en op naar de volgende. Het krijgt geen tijd om te beklijven.” Het kopen via webwinkels, soms in tientallen pakjes per keer, geeft nog een extra kick. “Die kleding kun je nog niet vasthouden, niet voelen, niet aantrekken. Wat je koopt is een idee van jezelf in die kleren, dat jij er net zo goed uitziet als de plaatjes voorspiegelen. Ik denk dat ook het uitpakken een rol speelt: je krijgt steeds van jezelf een cadeautje, en de volgende, en de volgende, het ene dopamineshotje na het andere. Het met kleding vormgeven aan je identiteit, daar ben je nooit klaar mee.”

Het beeld van dopamine kiest Doeland niet toevallig: zelf was ze een tijdje koopverslaafd aan kleren. “Op een gegeven moment besloot ik om een jaar lang geen kleding te kopen. Het was heel fijn om me hieraan te houden. Ik heb toen iets doorbroken; de beperking was heel voedend, heel bevrijdend. Ik hoefde niet meer.”

Aandacht geven
Niet meer hoeven. Geen catastrofale dwang aan productie en consumptie. Hoe keer je het tij? Een kernbegrip voor Doeland is ‘ergens een plek aan geven’. Aandacht, focus. Aan studenten wil ze een denkoefening meegeven. Aan welke wereld wil je straks mede vormgeven? Waartoe wil je worden opgeleid? “Ga je in een kutbedrijf werken met een elektro-leaseauto en een green office als excuus, ga je meedoen in een ziekmakend systeem?”

De uitdaging voor de toekomstige beleidsmakers is existentieel, zegt ze. Of je doet mee in een samenleving doordrongen van de logica van productiviteit, vooruitgang, nut, kapitalisme, met een uithangbord van individueel geluk, ambitie, het ‘je leeft maar een keer’, dus ik trakteer mezelf op een tripje naar Bali. Of ga je voorbij aan deze sprookjes en neem je verantwoordelijkheid om te de-normaliseren wat als normaal wordt opgevat? “Wat eigenlijk abnormaal is, kan zich alleen maar als normaal voordoen, omdat iedereen erin meegaat.” Dit patroon doorbreken is geen sinecure, beseft Doeland. “Mensen die de abnormaliteit aan de kaak stellen, worden weggezet als de gekkies. Opboksend tegen de verdedigers van de status quo, die wél macht hebben, wél het geweldsmonopolie aan hun kant hebben. Daar kan ik soms moedeloos van worden.”

Doeland waakt ervoor om alle verantwoordelijkheid bij het individu te leggen. “Dat werkt niet, dan voelen mensen zich aangevallen en gaan ze zich alleen maar verdedigen. Mijn inzet is om de mythe van machteloosheid door te prikken. Het doet ertoe wat we doen, welke verantwoordelijkheden we proberen te nemen. En dat gaat om méér dan netjes je afval scheiden en een zonnepaneel installeren.”

Doeland benadrukt de relatie tussen óns welzijn en de catastrofe voor mensen elders. “Mensen elders, vooral in het globale zuiden, moeten op allerlei manieren lijden voor ons comfortabele leven hier. Ons gemak en comfort is onlosmakelijk verbonden met het leed elders.” Maar ze beseft ook terdege: weten alleen is niet genoeg om het tij te keren. “Er is een zekere mate van lijdensdruk nodig: wie die ervaart, gaat iets doen.”

Wat volgens Doeland niet meehelpt, is dat de mensen die hier aan de knoppen draaien veelal een goede gezondheid en welvaart genieten. “Die wonen niet daar waar de overstromingen zijn, voelen in hun goed geventileerde en geïsoleerde huizen niet wat het betekent om in een oververhit huis te wonen, hebben geen kinderen die met te weinig eten naar school gaan, versuft omdat ze vanwege een hittegolf de nachten doorbrengen in veel te warme kamers. Niks van dat alles ervaren ze, maar ze bepalen wel de vaart en richting van onze productie en consumptie.”

Vruchtwater bevuilen
De dag van de ontmoeting openden de kranten met het nieuws dat iedereen in Nederland PFAS in het lijf heeft. Het herinnert Doeland aan het verhaal dat haar vader over haar oma vertelde, die in de slaapkamers met DTT de muggen te lijf ging, vlak voor het slapengaan. DDT is al sinds 1972 in de ban; die van PFAS moet nog komen. Sinds kort prijkt aan haar muur de zogeheten ‘vruchtwateraffiche’ van Stichting Aarde uit 1972: ‘Als we voor onze economie ons vruchtwater zouden moeten bevuilen, dan bevuilen we ’t ook.’ Ze wijst op het tien jaar vóór die poster verschenen baanbrekende boek Silent Spring van Rachel Carson: “We weten al ruim zestig jaar in welke ongelooflijk obscene wereld we leven.”

In haar proefschrift laat Doeland de lezer niet alleen denken, maar ook voelen. Ze opent met de geboorte van haar eerste kind, en over de placenta, het afval van de geboorte, waarvan ze zich gaandeweg – zeker ook bij een tweede bevalling – ging afvragen of deze aan haar kinderen de gehoopte bescherming heeft geboden. “Ook ik heb de PFAS, pesticiden en microplastics al doorgegeven aan mijn kinderen. De placenta is geen veilige plek meer, zoals er in de wereld steeds meer onveilige non-plekken zijn.” De vruchtbaarheid neemt inmiddels af, moedermelk wordt steeds giftiger en van onze vrij rondlopende hobbykippen kunnen we geen eieren meer eten, wijst Doeland op enkele ongerijmdheden. De industrie claimt het wel weer te fixen, foetert ze, wijzend op de ‘veilige’ poedermelk en eieren uit de bio-industrie. “Het gebrek aan verontwaardiging is opvallend. Hoezo is dit normaal, waarom komen we niet massaal in opstand!?”

Gemeenschap
Door ook te schrijven vanuit haar eigen belichaamde ervaring, hoopt Doeland de lezer te raken dat de ecologische crisis ook onze eigen kinderen aangaat. “Mijn hoop is dat ik hiermee mensen wel kan raken en aan het denken zet.”

Haar vertelling ‘Ruigoord versus de boze wereld’ geeft inderdaad te denken: “We zien hier het verzet tegen de asfaltering, het oprukkende grijs van de industrieterreinen, het grijs van de economie, ook het grijs dat zich voordoet in een groene gedaante. Hier wordt niet alleen letterlijk het groen bewaakt en bewaard, hier is ook een gemeenschap die weerstand biedt aan de waanzin van de economische logica.”

Als ze lezingen geeft, krijgt ze vaak het compliment dat haar verhaal zeggingskracht heeft en dat ze prima heeft verwoord dat er in deze wereld ‘iets niet klopt’. Maar tegelijkertijd vinden mensen het moeilijk om hun bestaande kaders los te laten, omdat ze zich geen eenduidig alternatief voor kunnen stellen, wat ze des te vatbaarder maakt voor de gedachte dat we alles kunnen oplossen met innovaties en techniek. “Een typisch kenmerk van het kapitalisme”, zegt Doeland. “Dat slaagt er altijd weer in de tegenkrachten in te kapselen. Zie hier op Ruigoord het verhaal van de groene silo’s, die het tegengeluid ontmantelen met het zogenaamde samen vechten voor een groene wereld.”

Wat Ruigoord doet, en dat geeft Doeland hoop, is steeds voeding geven aan die tegenkracht, er steeds opnieuw vuur voor vinden. Ze moet vaak denken aan het Gallische dorpje van Asterix en Obelix. “Heel Nederland? Nee, een klein dorpje blijft dapper weerstand bieden aan de kapitalistische overheersing. Niet zozeer door ons een spiegel voor te houden, maar door een alternatief voor te leven. Hier wordt geleefd én gefeest op een manier die niet om opofferingen van anderen elders vraagt.” Een inspiratiebron voor haar is de briefwisseling van Hannah Arendt met haar eerste echtgenoot Günter Anders, net als zijzelf een filosoof. Arendt reageert op zijn essay over de atoomdreiging die in de jaren vijftig de wereld opschudde, volgens Arendt raak getroffen omdat hij alle academische terminologie heeft laten varen en het moraliseren niet schuwt. Dit is ook Doeland zelf niet vreemd. Niet als opgeheven vingertje, legt ze uit, maar als appel om de morele verantwoordelijkheid zelf centraal te stellen. Wat is mijn positie? Hoe ben ik medeplichtig? Wat is mijn verantwoordelijkheid en hoe kan ik die op me nemen? “Zoals Anders goed uitlegt, is de ethische vraag in het atoomtijdperk niet langer uitsluitend: hoe moeten we leven? Maar ook: zullen we leven? De ecologische destructie plaatst ons voor dezelfde vragen als de atoomdreiging.”

Ze vat haar rol als wetenschapper dus ook moralistisch op, tegen het profetische aan, al heeft ze met die laatste term meer moeite. Ze noemt de hervertelling door Anders van het Bijbelverhaal over de vloed, waarin Noah niet domweg naar God luistert en een ark bouwt, maar, in de wetenschap dat er een vloed zal komen, in rouwkleren de straat op gaat om de mensen wakker te schudden. De mensen vroegen: ‘Voor wie rouw je?’ Waarop hij zegt: ‘Ik rouw voor de wereld, dat moet ik nú doen, want morgen is het daarvoor te laat.’ Dit zegt Noah extrapolerend vanuit zijn heden, zo legt Doeland de tekst uit. “Noah voorzag de destructieve toekomst waar het heden toe zou leiden en daarom rouwt hij. Niet omdat hij écht denkt dat de vloed onvermijdelijk is, maar juist om mensen ervan te overtuigen dat het ook anders kan. Zie en hoor Ruigoord.”

 

Verband met andere SDG’s

> Alle andere SDG’s
“Ik ben bijzonder kritisch over de Sustainable Development Goals, omdat ze de status quo versterken in plaats van die te bevragen. Neem dit achtste doel: eerlijk werk en economische groei. Dat doel gaat totaal voorbij aan het feit dat economische groei niet kan worden losgekoppeld van ecologische destructie. Er is altijd ergens iemand die ervoor betaalt. Ik denk dat het belangrijk is om te vragen wat economische groei eigenlijk is (inlijving in het kapitalistische systeem) en waar het zich mee voedt (onteigening). Een voorbeeld: een bos dat eerst van een gemeenschap was, inclusief de daartoe behorende niet-mensen, waar met en in geleefd werd, wordt onteigend en ingelijfd in het kapitalistische systeem. Doorgaans onder het mom van verspilling, onderontwikkeling en gebrek aan productiviteit. Het bos moet worden ‘ontwikkeld’ en ‘gecultiveerd’. Merk hier ook op dat ‘development’ niet zonder meer nastrevenswaardig is: het wortelt in een kapitalistisch-koloniaal denkraam. Het einde van het liedje is dat zij die van het bos leefden, nu gedwongen worden om hun arbeid te verkopen. Want dat bos, daar kunnen ze nu niet meer van leven. Kortom: een wereld die gericht is op economische groei is niet verenigbaar met eerlijk werk. Of beter gezegd: met eerlijk levensonderhoud.” (Lisa Doeland)

 

Inspiratiebronnen

Kijk: How to Let Go of the World and Love all the Things Climate Can’t Change | Josh Fox, 2016
“In deze documentaire wordt heel duidelijk dat we ons niet moeten laten verlammen door angst voor het einde van dé wereld. Kennis over de ecologische crisis is superbelangrijk, maar als we ons erdoor laten verlammen en denken dat het ‘te laat’ is, gaat er iets mis. Fox laat mooi zien dat het erop aankomt om te vechten voor het behoud van werelden. Meervoud. Dat werkt juist activerend in plaats van verlammend.” (Lisa Doeland)

 

Lessuggestie
Het interview met Lisa Doeland over de ‘strijd’ tussen kunstenaarsvrijplaats Ruigoord en de industrie in het westelijke Amsterdamse havengebied draait om de term medeplichtigheid. Dat vraagt om het fundamenteel herdenken van onze relatie tot werk, inkomen en het economische systeem: “Wat eigenlijk abnormaal is, kan zich alleen maar als normaal voordoen omdat iedereen erin meegaat.” Dat roept de vraag op wat wij normaal vinden en wat de prijs is die we daarvoor moeten betalen..

Lees hier een praktische lessuggestie.

 

Kunstblik: Agriculture and husbandry | Carl Morris

 

Agriculture and Husbandry, 1943 | Olieverf op doek, 1.80 x 4.60 m | Postoffice Eugene, Oregon, VS.

Carl Morris (1911 – 1993) werd geboren in Yorba Linda in Californië. Hij studeerde in Chicago, Parijs en Wenen. Tijdens de Great Depression (jaren ’30) in de Verenigde Staten kan hij via het Federal Art Project in Spokane in de staat Washington een kunstschool opzetten. In 1941 krijgt hij de opdracht om in het postkantoor van Eugene in Oregon twee schilderingen te maken. Op een doek van 1,80 m. bij 4,60 m., vaak ten onrechte als muurschildering aangeduid, legt Morris de landbouw en veehouderij vast en op een ander doek de houthakkerij. Op beide doeken wordt vol overgave gewerkt.

Licentie

Icoon voor de Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License

De kracht van verbinding Copyright © 2026 by Paul van den Broek en Bea Ros is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License, except where otherwise noted.