11 ‘Illegale nederzettingen bestaan niet, ongelijkheid bestaat wel’

SDG 11: Duurzame steden en gemeenschappen
Het bevorderen van inclusieve, veilige, veerkrachtige en duurzame steden en menselijke nederzettingen. In 2030 moet iedereen wereldwijd toegang hebben tot adequate, veilige en betaalbare huisvesting en basisvoorzieningen.

 

Sonja Marzi en María Elsy Usuga

Op weinig plekken is de urgentie voor een veilige en duurzame leefomgeving beter te illustreren dan in het Colombia van de voorbije decennia. Ontwikkelingsgeograaf dr. Sonja Marzi werkte voor haar promotieonderzoek nauw samen met vrouwen in Medellín, die in verzet zijn gekomen tegen de stedelijke ongelijkheid in wat ooit een van de gewelddadigste steden ter wereld was. María Elsy Usuga, een van hen: ‘Iedereen heeft recht op een huis en basisvoorzieningen.’

Sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw dijen de drie grootste steden van Colombia, Bogotá, Cali en Medellín, steeds verder uit. Dit hangt nauw samen met een gewelddadige periode in de nationale geschiedenis, bekend als La Violencia. De moord op de populaire liberale leider Jorge Eliécer Gaitán in 1948 leidde tot massale rellen en luidde een decennium in van hevig politiek geweld. Aanhangers van de liberale en conservatieve partijen stonden lijnrecht tegenover elkaar, waarbij vooral het platteland het toneel werd van bloedige conflicten over kwesties als landrechten, politieke macht en economische ongelijkheid. Veel plattelandsbewoners sloegen op de vlucht en trokken naar de steden.

In 1991 bereikte het geweld een nieuw dieptepunt, met in één jaar tijd 6500 moorden in Medellín, toen een van de gewelddadigste steden ter wereld. Het cocaïne-imperium van Pablo Escobar veroorzaakte hevige confrontaties tussen drugskartels, guerrillagroepen, paramilitairen en de overheid, en wakkerde een klimaat van angst aan. Miljoenen Colombianen sloegen opnieuw op de vlucht. De meesten verhuisden van het platteland naar de stad en kwamen vaak terecht in informele nederzettingen of sloppenwijken in de al uit hun voegen barstende buitenwijken van de grote steden.

Zo ook María Elsy Usuga, in 1968 geboren in het dorp Cañagordas, in de provincie Antioquia, Colombia. Met haar echtgenoot betrok ze een huis op het platteland, een erfenis van een familielid. Hier kwamen twee van haar vijf kinderen ter wereld. In 1992 bereikte ze op zoek naar een beter leven de stad Medellín, deels lopend, deels met de bus. “We kwamen vermoeid en hongerig terecht in de buitenwijk Carpinelo.” Maria Elsy is dus een vluchteling bínnen het land. Deze grote stroom internally displaced persons (IDP’s) stond voor de uitdaging in de steden een nieuwe woonomgeving op te bouwen. En die uitdaging geldt tot op de dag van vandaag voor vele Colombianen. Naar schatting telt het land nu zeven miljoen gedwongen ontheemden, van wie ongeveer 89 procent is verhuisd van het platteland naar stedelijke locaties. Steden moeten zich nog steeds aanpassen aan de groeiende bevolking en tegelijkertijd zorgen voor een leefbare en duurzame toekomst voor iedereen.

‘Wij bewoners bouwden zelf steen voor steen onze buurt op’

Hoe ervaren vrouwen stedelijke ongelijkheid en komen ze daartegen in verzet? Dit is de onderzoeksvraag van Sonja Marzi, ontwikkelingsgeograaf en promovendus bij de sectie Antropologie en ontwikkelingsstudies van de Radboud Universiteit. Ook is ze fellow aan de London School of Economics. Voor haar onderzoek deed ze tijdens de pandemie onder meer veldwerk in Medellín. Zo leerde ze María Elsy kennen.

Een ware metamorfose
Bij het buurthuis van Carpinelo houden we met Sonja en María Elsy in het voorjaar van 2024 de vorderingen tegen het licht. De wijk heeft dankzij de inzet van de bewoners de afgelopen decennia een ware metamorfose ondergaan. De koosnaam van Medellín – ‘stad van de eeuwige lente’ (vanwege het altijd milde klimaat) – klinkt nu ook door in deze wijk, zoveel beter dan in de jaren negentig. Hoe zijn de inwoners hierin geslaagd, nota bene aanvankelijk zonder steun van de overheid? Hoe borgen ze in hun wijk een zekere veiligheid? Hoe weten ze bij de opbouw die zovele kwetsbare mensen te betrekken?

María Elsy blikt terug op de omstandigheden in de begintijd: een ernstige woningnood en veel armoede, met gemiddeld acht mensen in een klein huis, vaak gemaakt van oude houten planken, palen, plastic zeilen en een dak van bitumen of golfplaten. De meesten woonden samen in één kamer; zonder scheidingsmuren, zonder privacy. “Ook wij moesten, net als de andere families, ons eigen huis bouwen. In de avonduren en als we vrij hadden, waren we hier druk mee bezig. We begonnen echt helemaal opnieuw.”

Een belemmering voor de ontwikkeling van de wijk was de moeilijke bereikbaarheid, gelegen op steile hellingen hoog in de bergen. Basisvoorzieningen als stromend water, riolering of elektriciteit waren er bijna niet. “We moesten regenwater opvangen of water halen bij gedeelde openbare putten”, zegt María Elsy. “Wij dronken vaak ongefilterd water. Mijn man begon een buurtwinkeltje, waar ook buren langskwamen om met familie te kunnen bellen. Bijna niemand in onze wijk had een vaste telefoonlijn. Ik zorgde voor onze kinderen, wat een hele uitdaging was vanwege het geweld en de armoede die ons omringden. Ik moest extra goed opletten, en ik ben er blij en trots op dat ze niet verslaafd zijn geraakt, of aan bendes ten prooi zijn gevallen. Daarnaast probeerde ik mijn middelbareschooldiploma te halen.”

De wijkopbouw werd nog gehinderd door de politie, die in fikse strijd was gewikkeld met de nieuwe bewoners die geen woonvergunningen hadden. Maar de huizen die de politie overdag met de grond gelijkmaakte, bouwden de buurtbewoners ’s nachts weer op. Daarop stak de politie de hele wijk in brand, wat voor de bewoners extra reden was om nóg feller in protest te komen.

Gemeenschapswerk
Een subdoel van SDG 11 is dat stadsontwikkeling duurzaam en participatief is, dus dat de bewoners als ‘actieve buurtregisseurs’ meewerken aan de ontwikkeling van de wijk. Hoe kwam dit gemeenschapswerk in Medellín van de grond, gezien al die tegenwerking van de politie? “De confrontatie met de autoriteiten weerhield ons niet van een blijvende inzet voor onze wijk”, zegt María Elsy. “Integendeel, we gingen ons steeds beter organiseren.” Een sleutelrol speelden de convites, een eeuwenoude traditie om via een informele oproep mensen samen te brengen om te werken aan een gemeenschappelijk doel. “We organiseerden convites om een weg aan te leggen of een huis te bouwen. De mannen hielden zich voornamelijk bezig met de bouw; daar lagen de belangrijkste uitdagingen voor onze wijk. We brachten allemaal in wat we konden: de een nam zand mee, de ander gereedschap, bouwmateriaal, kennis of wat geld. Iedereen hielp vrijwillig mee en kreeg een eigen taak. Daarna bundelden we onze krachten en zetten we onze schouders eronder. Aanvankelijk vergezelden wij, de vrouwen, vooral onze mannen. We zorgden voor een goede sfeer en kookten soep voor iedereen, deelden deze rond.”

María Elsy schetst het belang van de gezamenlijke maaltijden, het uitdelen van de sancocho, een traditioneel gerecht met vlees, groenten, mais op de kolf en bakbananen, vaak gegeten bij feestdagen en een symbool voor gezelligheid, saamhorigheid en gemeenschapszin. Later pakten de vrouwen een grotere rol, naast het uitdelen van de maaltijden bij de convites. “We kregen door dat ook wij wensen konden uiten, bijvoorbeeld een speelveld om te voetballen voor onze kinderen, of een weg naar de buurtsuper.”

Waar de mannen na een tijd afhaakten, omdat er geld verdiend moest worden, hielden de vrouwen vol. “Wij liepen steeds tegen allerlei problemen aan in de buurt. Wij moesten bijvoorbeeld steeds weer dezelfde steile, glibberige weg omhoog lopen. Dus trokken we onze laarzen aan en gingen we aan het werk. Wij bewoners bouwden zelf steen voor steen onze buurt op. Waar nodig ruimden we op, grepen we in. We namen initiatief, we waren het wachten beu. Het was pure noodzaak, omdat de overheid afwezig bleef.”

Sonja Marzi kent de wijk en is ook bij María Elsy thuis geweest. Zij noemt de inzet van de bewoners indrukwekkend. Natuurlijk, er zijn nog grote verschillen tussen de woningen, waarvan vele geen goede vloeren of degelijk sanitair hebben. “In Nederland zouden we de wijk waarschijnlijk als een sloppenwijk bestempelen”, zegt Marzi. “Maar het is belangrijk om te beseffen: alle woningen hebben elektriciteit en de meeste bewoners beschikken thuis over internet. Dat is opvallend, zeker in vergelijking met arme wijken in Bogotá, waar dat lang niet vanzelfsprekend is. Misschien heeft dat te maken met de zogeheten paisa spirit, de mentaliteit van inwoners uit Medellín. Ze staan bekend als innovatief en ongelooflijk hardwerkend.”

De wijkopbouw kreeg rond 2000 een impuls met de legalisering van de wijk door de overheid, waarna de overheid een proces van stedelijke participatie inzette. María Elsy haakte ook aan: de kinderen waren groter en ze had haar diploma gehaald. Via de kerk vernam ze van verschillende workshops, over EHBO of het belang van goede voeding. Ook duurzaamheid speelde een rol: zo leerde ze bijvoorbeeld dat het beter is om geen gemodificeerd voedsel te gebruiken en hoe je zelf groentes en kruiden kunt verbouwen – niet alleen om te eten, maar ook om ervan te kunnen genieten. Ook volgde ze een workshop over afvalscheiding. María Elsy: “Voor ons was het belangrijk het afval goed te scheiden en bewust om te gaan met de verwerking ervan. Nadenken over wat er met het afval gebeurt. Want als we de planeet vernietigen, vernietigen we op den duur ook onszelf.” In de workshops bespreken de vrouwen ook toekomstige plannen: “We bespraken bijvoorbeeld het opzetten van kleine ondernemingen. Hoe doe je dat? We stelden onszelf veel vragen, maar kwamen er ook achter dat dé oplossing niet bestaat.”

Sonja Marzi volgde voor haar onderzoek de participatie van nabij. Met video en fotografie legde ze vast hoe vrouwen de ongelijkheid binnen de stad ervaren en daartegen in verzet zijn gekomen. Het verhaal van María Elsy toont voor haar de samenhang van sociale en geografische mobiliteit. “De wijk waarin je opgroeit, bepaalt in sterke mate je kansen om sociaal en economisch vooruit te komen. Daarnaast wijst ze op het belang van geografische mobiliteit: met meer mogelijkheden om je fysiek te verplaatsen, kun je nieuwe kansen krijgen om te klimmen op de sociale ladder.”

Veilig vervoer
Het belang van geografische mobiliteit blijkt uit de aanleg van de kabelbaan in 2004. De wijk waarin María Elsy haar kinderen grootbracht, lag lange tijd afgelegen aan de rand van de stad; de reis naar de stad met de bus duurde ruim anderhalf uur. Niet alleen een lange, maar ook een onveilige rit, vanwege de regelmatige overvallen op de bussen. De kabelbaan tussen de wijk en het stadscentrum bracht niet alleen nabijheid, maar dus ook veiligheid.

Dit is voor vrouwen extra belangrijk, stelt Marzi: “Hun bewegingsvrijheid is door armoede en geweld vaak beperkt. Ze moeten overdag werken en kunnen dus alleen ’s avonds studeren, maar dan is reizen onveilig en onbetrouwbaar.” Daarnaast is hun werk vaak gebonden aan een locatie. Wanneer vrouwen bijvoorbeeld te maken krijgen met afpersing door lokale gewapende groepen, kunnen zij niet gemakkelijk naar een andere buurt uitwijken om daar aan de slag te gaan, zoals mannen dat wel kunnen doen: die zijn net iets mobieler.

“Verantwoordelijkheden voor kinderen en het huishouden zorgen ervoor dat vrouwen vaak aan hun directe leefomgeving gebonden zijn”, aldus Marzi. Zo ontstaat een genderspecifiek organisatiepatroon. “Vanwege al hun uitdagingen zien we dat vrouwen zich organiseren in kleine lokale en soms zelfs (inter)nationale groepen om samen vooruit te komen. Ze werken aan het vormgeven van de stad naar hun eigen behoeften en ambities, waarbij ze hun recht opeisen om mee te bouwen aan een rechtvaardigere en inclusievere stedelijke toekomst.”

Als voorbeeld van een succesvol participatieproces in haar wijk noemt María Elsy de afvalverzamelaars, de recicladores. “Ze zijn vaak afkomstig uit kwetsbare posities en dragen zélf bij aan een duurzamere stad. Doordat zij zich al ruim dertig jaar collectief organiseren, zijn ze goed gestructureerd; ze hebben vaste inzamelpunten, georganiseerde routes en duidelijke afspraken over de verdeling van materialen en opbrengsten.” Dankzij de jarenlange inzet kreeg de aanvankelijke informele samenwerking een institutionele erkenning. “In sommige steden is zelfs een wet aangenomen die verzamelaars het recht geeft op hun eigen recyclingproces, inclusief het vervaardigen van producten uit de gerecyclede materialen.”

Formele participatie
De overheid heeft steeds meer ‘informele’ wijkinitiatieven in de loop der jaren omarmd. Daarmee verandert de rol van de inwoners: lagen eerst de initiatieven in hun hand, nu worden ze door de overheden uitgenodigd om in de besluitvorming te participeren. Zo kreeg de wijk van María Elsy na de officiële erkenning door de overheid een budget en werden bewoners uitgenodigd om mee te doen en ideeën aan te dragen binnen bepaalde afdelingen, als gezondheidszorg, milieu, sport of infrastructuur. Over de ingebrachte plannen konden bewoners stemmen, waarbij het meest gekozen idee werd uitgevoerd. Zo werden er gezondheidscentra, bibliotheken en scholen gebouwd. “Dat was heel erg belangrijk”, zegt María Elsy, “want scholing voorkomt dat de jeugd zich verveelt en ze verkleint het risico op verslaving of rekrutering door bendes.” Ook kregen bewoners eindelijk toegang tot drinkwater. “Daardoor voelden we ons meer onderdeel van het systeem.”

María Elsy heeft in diverse afdelingen geparticipeerd en is inmiddels de centrale figuur in de wijk, naar wie mensen gaan met een nieuw idee voor de wijk. Ze memoreert het aloude uitdelen van de sancocho, nadat een aantal huizen in de wijk door brand waren verwoest. “Iemand had een kookplaatje laten aanstaan. We gingen met z’n allen weer eten uitdelen om de slachtoffers van de brand bij te staan.”

De formalisering van de wijkparticipatie vindt María Elsy goed, maar ze ziet ook een keerzijde: “We mogen slechts meebeslissen over vijf procent van het budget. Daardoor krijgen we vaak alleen kleine veranderingen voor elkaar: een stoep hier, een voetbalveldje daar. En de overheid komt pas in actie als wij buurtbewoners al het meeste werk hebben verricht. Ze geven ook zelden precies wat we vragen. Vraag je om een weg van vier meter, dan leggen zij de helft aan, en de rest moet je alsnog zelf regelen.” Dit zorgt weleens voor frustratie. “We voelen ons niet altijd serieus genomen. Uiteindelijk doen ze toch vooral wat zíj denken dat goed is voor ons. Tijdens verkiezingen beloven volksvertegenwoordigers van alles, maar eenmaal gekozen werken ze vooral voor de mensen boven hen, niet voor degenen aan de onderkant van de samenleving.”

Een belangrijke graadmeter voor succes van participatie in zelfgebouwde wijken is de mate van veiligheid. In de wijk van María Elsy is die groter dan elders. Ze wijst op de in Colombia veel voorkomende diefstal van mobiele telefoons. “Die wordt vaak uit je handen getrokken, maar in onze wijk kun je er prima mee over straat lopen. We weten precies wie de dieven zijn in onze wijk. We praten met hun families, begrijpen hoe lastig het voor hen is. Vaak zijn drugs de oorzaak, of alcohol.” In andere wijken van de stad is het minder veilig, daar verdwijnen wel eens jonge meisjes en jongens door mensenhandel. “Het fijne is dat we samen in een buurtapp zitten en zo heel snel kunnen schakelen. Laatst nog was er een rebels meisje van tien jaar. Ze was al naar Santo Domingo gebracht. Door de app wisten we haar net op tijd te redden, nog voor de avond viel en ze verkocht zou worden aan toeristen, voor sekswerk.” De buurt móest het wel zelf doen, zegt ze, want de overheid komt regelmatig veel te laat in actie. “Echt veilig is de wijk nog niet, we moeten zelf alert blijven.”

María Elsy Usuga

Maar nog steeds vindt er veel geweld plaats. Marzi: “Alleen manifesteert het zich anders. Het is subtieler, strategischer. Gewapende groepen grijpen liever de controle over wijkbudgetten en innen afpersingsgeld bij kleine ondernemers. Ik sprak ooit met een vrouw die empanadas verkocht op straat. Zij werd zo afgeperst dat ze uiteindelijk met de verkoop is gestopt.”

En ook hier geldt: geweld is nooit toevallig. In sommige wijken worden vrouwen die actief zijn in gemeenschapsraden, de zogenaamde juntas, geïntimideerd door gewapende groepen, om hun toegang te verhinderen tot middelen of invloedrijke posities. “Vrouwen worden bedreigd met waarschuwingen: ‘als je niet luistert, pak ik je kinderen’. Goed functionerende juntas zijn een bedreiging voor corruptie én voor criminele controle. Daarom infiltreert de georganiseerde misdaad diep in sociale en politieke structuren. Hun macht is minder zichtbaar, maar juist daardoor des te effectiever. Zo efficiënt dat de Italiaanse maffia er jaloers op zou zijn.”

Deze groepen houden met opzet het moord- en geweldsniveau laag om geen media-aandacht te trekken. Marzi wijst met instemming op een uitspraak van Alexandra Abello-Colak, een collega aan de London School of Economics: ‘De criminele bendes die we proberen te bestrijden, zorgen er paradoxaal genoeg ook voor dat we veilig zijn.’ “Die paradox laat zien hoe complex het begrip menselijke veiligheid in Medellín werkelijk is. Het gaat niet alleen om afwezigheid van geweld, maar ook om zeggenschap en rechtvaardigheid, en juist die zijn vaak nog ver te zoeken.”

Winst van participatie is dat we hebben geleerd om onze angst te overwinnen, zegt María Elsy. “Dat we durven te zeggen wat we nodig hebben. Dat we willen dat er eten is op de scholen van onze kinderen. Dat jongeren een technische opleiding kunnen volgen. Dat we kennis met elkaar uitwisselen, maar ook kwetsbaar durven te zijn onder elkaar. Dat je moet durven zeggen: ‘Ik heb honger, is er hulp mogelijk?’ of: ‘Kan ik een lening krijgen?’ Want schulden, daarin kun je verdrinken.”

Kortom, het verhaal van haar gemeenschap onderstreept de kracht van organisatie en lokaal leiderschap, op de pijlers van sociale cohesie, territoriale gelijkwaardigheid en zelfvoorziening, met een sleutelrol voor de convites. María Elsy: “Daarom vind ik de term ‘informele wijk’ zo onterecht. Wíj zijn degenen die alles regelden, onze eigen huizen bouwden, riool aanlegden, wegen maakten, die ons bloed, zweet en tranen in de wijk stopten. De politie werkte ons tegen. De overheid deed helemaal niets. Wij knapten eigenlijk hun werk op, en dan zijn wij de ‘armen’ en de ‘informelen’. Nee, wij kunnen juist heel veel en hebben heel veel voor onze wijk betekend.”

 

Verband met andere SDG’s

> Het nastreven van SDG 11 is ook belangrijk om andere SDG’s te realiseren, denk aan het terugbrengen van ongelijkheid (10) zoals gezondheid (3), onderwijs (4), schoon water (6) en klimaatactie (13).

 

Inspiratiebronnen

Kijk: Vovltendo a vivir of reinventadas
Met hierin ook een rol voor Maria Elsy, actief binnen de Reinventadas: een mooie verbeelding van dit hoofdstuk.

Lees: Het Recht Op De Stad | Henri Lefebvre | globalinfo.nl
De Franse marxist, stadsonderzoeker en filosoof Henri Lefebvre schreef in 1968, aan de vooravond van de Parijse revolte, het essay ‘Le droit à la ville’. Die blijft actueel vanwege de blijvende strijd in diverse wereldsteden om betaalbare woningen en vrije ruimtes.

 

Lessuggestie
De wijkinitiatieven die María Elsy in het interview beschrijft, maken onderdeel uit van een belangrijk, maar grotendeels onzichtbaar deel van onze samenleving. Deze informele economie wordt zelden meegenomen in beleid of analyses, maar is fundamenteel voor een goed functionerende maatschappij. Dit interview geeft een inkijkje in de manier waarop de netwerken in een stad in Colombia zorgdragen voor weerbare en inclusieve gemeenschappen.

Lees hier een praktische lessuggestie.

 

Kunstblik: Vegetal City | Luc Schuiten

 

Vegetal City | Illustraties bij reizende tentoonstelling, vanaf de jaren 2000 in allereerst Brussel, later onder meer in Parijs.

Luc Schuiten (* 8 januari 1944, Brussel) volgde zijn opleiding tot architect aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Brussel. In zijn werk is hij steeds meer gaan putten uit archiborescentie, een stroming binnen de architectuur die inspiratie haalt uit de natuur en die via biomimetica processen uit de natuur nabootst om toepassingen voor menselijk gebruik te verbeteren of duurzamer te maken. Gedurende zijn loopbaan is Schuiten steeds minder gaan bouwen en steeds meer gaan ontwerpen. Het resultaat daarvan noemt hij Cité Végétale, plantaardige stad, waarin bijvoorbeeld afval tot een minimum beperkt wordt en zoveel mogelijk hergebruikt.

Licentie

Icoon voor de Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License

De kracht van verbinding Copyright © 2026 by Paul van den Broek en Bea Ros is licensed under a Creative Commons Attribution-NonCommercial 4.0 International License, except where otherwise noted.