1 ‘Met geld alleen los je armoede niet op’
SDG 1: Geen armoede
Beëindig armoede overal en in al haar vormen. Niemand mag in 2030 nog in extreme armoede leven. Iedereen, vooral de armen en de kwetsbaren, moet gelijke rechten hebben op economische middelen en toegang tot basisdiensten.

Armoede is een zogeheten wicked problem. Er bestaat geen simpele oplossing voor; je moet aan meer draadjes tegelijk trekken, stellen antropoloog Joost Beuving en socioloog Maurice Gesthuizen. Dat vraagt om interdisciplinair werken en om samenwerking met maatschappelijke partners. Een van hen is János Betkó, beleidsmedewerker bij de gemeente Nijmegen.
Armoede kent vele gezichten. Volgens de norm van het VN-Ontwikkelingsprogramma (UNDP) – minder dan $1,25 per dag om rond te komen – leven wereldwijd 1,2 miljard mensen in armoede. In een welvaartsstaat als Nederland gelden andere maatstaven. Het Armoedefonds hanteert bijvoorbeeld als definitie voor armoede dat mensen na het betalen van de vaste lasten (wonen, energie en zorg) te weinig geld overhouden voor andere basisbehoeften. Dat geldt voor 3,2 procent van de Nederlanders, oftewel 540.000 mensen. Een op de drie daarvan is langdurig arm. Daarnaast hebben 750.000 Nederlandse huishoudens problematische schulden.
Wat basisbehoeften zijn, hangt af van waar je woont en daarmee dus ook de definitie van armoede. “Als iemand niet mee kan doen, is hij arm”, stelt János Betkó. “Als je niet genoeg geld hebt om met de prijzen hier elke dag drie keer te eten, je kinderen te voeden en te kleden, dan is dat armoede. Natuurlijk is het op andere plekken in de wereld erger, maar mensen leven hier.”
Overigens benadrukt Joost Beuving dat je de noord-zuid-tegenstelling niet moet simplificeren: “De verschillen binnen het noorden en zuiden zijn minstens zo groot. Denk aan de exclusieve gated communities in grote steden in Afrika waar een rijke elite woont en aan verwaarloosde achterstandswijken in Londen, Parijs of Amsterdam.” Hij wijst daar in zijn colleges regelmatig op, om ‘othering’ bij studenten te voorkomen: “De neiging is om mensen in het globale zuiden te zien als een heel ander soort mensen dan we zelf zijn, op wie andere wetten van toepassing zijn. Niets is minder waar.”
Taboe
We zitten in het Nijmeegse stadhuis, al tien jaar de werkplek van Betkó. De vraag ligt op tafel waar we hem en zijn gesprekspartners, antropoloog Joost Beuving en socioloog Maurice Gesthuizen zullen fotograferen. Want de kantoorlocatie spreekt nauwelijks tot de verbeelding. Maar poseren bij de Voedselbank of Kledingbank vinden ze alle drie ook lastig. Ze willen geen mensen stigmatiseren. Want op armoede rust nog steeds een taboe: mensen schamen zich ervoor en houden het liever geheim.
“Er zijn in onze samenleving twee grote verhalen die weinig behulpzaam zijn bij het oplossen van armoede- en schuldproblemen”, vertelt Beuving. “Je hebt het neoliberale verhaal van zelfredzaamheid: alle mensen moeten vaardig zijn zichzelf te redden en wie dat niet kan, heeft dat aan zichzelf te danken. Maar dat is fictie. Het andere verhaal, dat van het slachtofferschap, is net zo problematisch. Als sociale wetenschappers proberen wij daar een beter denkmodel tegenover te zetten: dat mensen in zekere mate hun eigen leven kunnen vormgeven en dus niet louter slachtoffer zijn, maar dat er structurele omstandigheden zijn die daarin heel beperkend kunnen zijn.”
‘Op armoede rust nog steeds een taboe’
Die betere denkmodellen ontwikkelen Beuving en Gesthuizen sinds drie jaar, samen met econoom Luuk van Kempen, binnen R€GAIN, de Radboud Expertise Group on Action against INdebtedness. Ze willen een bijdrage leveren aan het terugdringen van armoede en inzichten uit onderzoek delen met maatschappelijke partners, zoals gemeenten, ziekenhuizen, het Rode Kruis, Bindkracht 10 of de NVVK (koepel voor kredietorganisaties). “Daar is behoefte aan. De kosten van de schuldenindustrie zijn een factor 2,5 groter dan de schuldenberg en dat wordt alleen nog maar meer.”
Binnen en buiten de collegezaal schenken ze nadrukkelijk aandacht aan armoede en schuldenproblematiek. “Zo proberen we bij te dragen aan destigmatisering”, vertelt Beuving. “Veel mensen hebben het idee: schulden hebben of arm zijn, is je eigen schuld. Dat is onzin.” Ook mensen met een baan bijvoorbeeld kunnen arm zijn: 1,8 procent van de werkende mensen in Nederland leeft in armoede. In hun colleges besteden de R€GAIN-onderzoekers daarom uitgebreid aandacht aan de maatschappelijke, institutionele en bureaucratische factoren. “Voor onze studenten is dat een enorme eyeopener. We laten ze bijvoorbeeld een toeslagenbrief zien: wat staat hier? Ze zitten te kijken en snappen er niets van. Dit is dus keer twintig waar je mee te maken krijgt als je financieel afhankelijk bent.” Betkó vult aan: “Als je arm bent, heb je heel veel bureaucratische vaardigheden nodig om alles aan te vragen waar je recht op hebt en niet per ongeluk een fout te maken, waardoor je vervolgens het label fraudeur krijgt en geld moet terugbetalen.”
Maalstroom
Er zijn mensen die arm geboren worden en hun hele leven arm blijven. Niet alleen in het globale zuiden, maar ook in ons land. Dat heeft alles te maken met het kapitaal dat mensen van huis uit mee krijgen. En dat kapitaal is niet louter financieel-economisch, maar ook sociaal en cultureel, zoals onder andere de Franse socioloog Pierre Bourdieu eind jaren tachtig van de vorige eeuw al aantoonde. Hoe meer kapitaal je tot je beschikking hebt, hoe groter je kansen op school en in de samenleving, hoe beter je weet hoe instituties werken en hoe groter je netwerken en vangnetten. En dat bepaalt of je in tijden van armoede er weer bovenop weet te krabbelen of niet.

Een promovendus van Beuving en Gesthuizen, Henry van der Burgt, ontwikkelde op basis hiervan het maalstroommodel. Dit bestaat uit vijf dimensies van kapitaal – naast de drie al genoemde ook moreel kapitaal en gezondheid. Moreel kapitaal gaat over zelfvertrouwen, zelfrespect, hoe je gezien wordt door anderen en hoe je door de overheid behandeld wordt. “Er is vaak een behoorlijke mismatch tussen mensen die aan de knoppen zitten en de mensen die afhankelijk zijn van hulp”, vertelt Beuving. “Via overheidsloketten worden stereotypen en racisme gereproduceerd, waardoor mensen die daarvan afhankelijk zijn, zich nog slechter gaan voelen dan ze al deden: ik ben het kennelijk niet waard.” Gesthuizen vult aan: “Henry toonde aan dat hun morele kapitaal mensen hielp om uit een probleemsituatie te komen. Het voeden van moreel kapitaal leidt tot meer zelfredzaamheid op andere vlakken.”
Het maalstroommodel maakt duidelijk dat armoede of schulden zelden louter een geldprobleem zijn, maar dat factoren op elkaar ingrijpen en accumuleren. “Je zit in rustig vaarwater zolang je in alle dimensies over voldoende hulpbronnen beschikt. Je hebt bijvoorbeeld wat spaargeld, een sociaal netwerk en je bent gezond”, licht Gesthuizen toe. “Maar zodra één ding gaat kantelen, kun je meegezogen worden in de draaikolk en daar kom je maar moeilijk uit.” Beuving vult aan: “Als je bijvoorbeeld langdurig ziek wordt, heeft dat gevolgen voor hoeveel uur je kunt werken en dus op je inkomen, en dat heeft weer effect op in hoeverre je kunt meedraaien in een sociaal netwerk. Wij onderzoeken wat trigger events zijn: typerende momenten waarop de maalstroom in beweging wordt gezet of juist vertraagd en op welke momenten je bepaalde mensen in de gaten moet houden.” Daarbij is er geen one-size-fits-all-oplossing, stelt hij. “Mensen met een klein sociaal vangnet hebben bijvoorbeeld een andere aanpak nodig dan mensen die door ziekte niet kunnen werken en hoge kosten hebben die niet vergoed worden.”
Het maalstroommodel verklaart ook waarom de ‘nieuwe armen’, mensen uit de middenklasse met probleemschulden door de hoge energieprijzen en inflatie, er sneller weer uitkomen. “Die klasse heeft allerlei hulpbronnen die ze kunnen inzetten om problemen te lijf te gaan. En op het moment dat de economie weer aantrekt, komen ze er ook weer sneller uit”, vertelt Gesthuizen. Hij wijst erop dat deze mensen in de pers opvallend veel aandacht kregen. Betkó knikt: “Dat leidde tot enig cynisme bij mensen die al lang arm zijn: ja hallo, wij leven altijd zo. Armoede vinden we kennelijk alleen belangrijk als het de middenklasse raakt.”
Verzorgingsstaat
Een groot verschil tussen noord en zuid is de mate van informaliteit. “In het globale zuiden bestaan nauwelijks voorzieningen vanuit de staat”, vertelt Beuving. Als antropoloog heeft hij veel onderzoek gedaan in sub-Sahara-Afrika waar hij heel veel armoede heeft gezien. “Daar zijn de vangnetten vaak informeel en dat zorgt voor een ander soort dynamiek. Mensen raken afhankelijk van familie en dat leidt tot ingewikkelde, soms toxische relaties die ook ineens kunnen ontploffen. Dat heeft bij mij het besef gebracht: schulden en armoede zijn problemen die impact hebben op heel veel andere levensterreinen.”
Dat blijkt ook uit grootschalige internationaal vergelijkend onderzoek naar de samenhang tussen overheidsvoorzieningen en armoede, zegt Gesthuizen: “In ruimhartige verzorgingsstaten komt minder armoede voor en bovendien minder langdurige armoede. En de mate waarin armoede leidt tot ongezondheid of sociaal isolement is hier ook zwakker.” Betkó knikt en verwijst naar het boek The Spirit Level waarin onderzoekers Richard Wilkinson en Kate Pickett die samenhang voor tal van indicatoren hebben aangetoond, niet alleen van schulden en armoede, maar bijvoorbeeld ook van het aantal mensen in de gevangenis of de levensverwachting van mensen. “Hun onderzoek toont aan dat een ruimhartige verzorgingsstaat grote maatschappelijke voordelen heeft.”

Toch heeft het idee van de verzorgingsstaat als vangnet in diverse landen aan kracht ingeboet. En dat is slecht nieuws voor armoedebestrijding, stelt Gesthuizen. Betkó knikt: “In Nederland is de verzorgingsstaat met haar verzorgende, verbindende en verheffende functies de laatste decennia steeds verder uitgehold. Bovendien maken decentralisatie en korting op budgetten de aanpak van maatschappelijke problemen lastiger. Zo is bijvoorbeeld twee derde van het budget om mensen via re-integratie uit de bijstand te helpen, gekort.”
Dat lijkt louter slecht nieuws voor arme en gedepriveerde burgers, maar het geldt ook voor de beter gesitueerden, stelt Betkó. “Als je rijk bent, heb je er baat bij dat er minder criminaliteit is en minder overlast en geweld op straat.” Gesthuizen vult aan: “Je hoeft uiteindelijk minder belasting te betalen, omdat er bijvoorbeeld minder kosten zijn om jeugdzorg of schuldsanering op poten te houden. Dat hoeft niet allemaal van bovenaf geregisseerd te zijn, maar wel van bovenaf gefaciliteerd. Je hebt een sturende nationale overheid nodig.”
Nu is het nog te afhankelijk van in welke gemeente je woont in hoeverre je hulp en kansen krijgt. De gemeente Nijmegen hanteert bijvoorbeeld een relatief genereus minimabeleid en is bovendien bereid soms minder rigide met regels om te gaan. Betkó memoreert een vraag die hij onlangs kreeg tijdens een gastcollege voor de opleiding bestuurskunde: “Een student vroeg me: ‘Ik kom uit Maastricht en daar is een minder ruimhartig beleid. Daar zie ik veel minder daklozen dan hier, dus werkt jullie beleid wel?’ Dat is heel eenvoudig, legde ik uit: de daklozen worden hier geholpen en in Maastricht niet, dus het is niet vreemd dat ze hierheen komen.”
Gratis geld
Naast kansenongelijkheid tussen gemeenten is een ander probleem dat je lokaal alleen bezig kunt zijn met ‘pleisters plakken’, zoals Betkó het noemt. “We kunnen iemand niet integraal uit de armoede helpen, maar moeten het doen met suboptimale middelen zoals iemand naar de Voedselbank of Kledingbank sturen en gratis menstruatieproducten en een energietoeslag geven. Want als gemeente mogen we geen inkomensbeleid voeren. Het armoedeprobleem los je pas echt op als Den Haag de knip trekt.” Zo berekende de commissie sociaal minimum dat je met jaarlijks zes miljard extra voor hogere uitkeringen en een hoger minimumloon de bestaanszekerheid van mensen op een basisniveau kunt krijgen.
Maar volgens het maalstroommodel is geld alleen toch niet de oplossing? Dat is het doorgaans ook niet, zegt Beuving. Daarom zijn de zogeheten gratis-geldexperimenten, waarbij schulden worden kwijtgescholden of mensen zonder voorwaarden geld krijgen, lang niet altijd een succes. “Die conditievrije geldtransfers gaan heel erg uit van het idee dat mensen vaak goed weten wat ze zelf moeten doen. In Afrika en Azië, waar deze experimenten een lange geschiedenis hebben, vaak opgezet door ngo’s, lijkt dat aardig te werken. De analyse is dat armoede daar echt een kwestie is van geldgebrek. Los dat op en mensen gaan zelf aan de slag. Mensen kopen bijvoorbeeld schoolboeken voor hun kinderen, kopen lapjes grond of zetten een bedrijfje op. Zo gaat het vaak, maar lang niet altijd.”
In het noorden komen dit soort pilots, van gemeenten of particulieren, ook steeds meer voor. Maar deze blijken doorgaans minder succesvol. “Omdat ze alleen insteken op economisch kapitaal”, stelt Beuving. “Je kunt armoede en probleemschulden niet oplossen met enkel geld zonder te werken aan andere vormen van kapitaal.”

Een voorbeeld is de pilot van het Kansfonds in de Arnhemse achterstandswijk Immerloo. Slechts enkele huishoudens kwamen hier duurzaam uit de schulden, maar bij de meeste lijkt dat niet te lukken. “Gratis geld gaat pas werken als je er rust en ruimte mee kunt creëren om ook aan die andere hulpbronnen te werken.” Beuving vult aan: “Het bouwen van een buurthuis met betaalbare koffie in een arme wijk, zodat mensen elkaar weer kunnen tegenkomen, kan een veel zinniger besteding van armoedegeld zijn dan arme mensen geld geven.”
Een ander element dat in Immerloo en vergelijkbare wijken speelt, is wantrouwen en argwaan jegens de overheid. En dat is niet zonder grond, zeggen ze alle drie. “We straffen mensen financieel als ze doen wat we ze vragen om te doen, omdat veel beleid niet op elkaar aansluit”, zegt Betkó. Mensen in de bijstand krijgen bijvoorbeeld het advies om in deeltijd te werken, ‘want dat is goed voor je’. Vervolgens worden ze gekort op hun uitkering en als ze een maand later niet meer genoeg verdienen, duurt het drie maanden voor ze weer een volledige uitkering hebben. “En anderhalf jaar later komt er een brief van de Belastingdienst, dat is weer een andere overheid, die zegt: u hebt toen geld verdiend, dat had u moeten doorgeven vanwege zorgtoeslag, kunt u nog even zoveel honderden euro’s betalen. Die mensen kunnen dat niet en zijn financieel in de ellende gestort, omdat ze deden wat de overheid van hen vroeg. Dat ze de volgende keer bedanken voor de eer, snap ik volkomen.”
Je kunt als overheid ook aardig voor je burgers zijn. Voor zijn proefschrift (2023) vergeleek Betkó het reguliere bijstandsbeleid in de gemeente Nijmegen met twee ruimhartigere pilots met minder regeldruk. “Conclusie was dat vooral de meest kwetsbare groepen, ouderen, laagopgeleiden en mensen met een migratieachtergrond, op een aantal indicatoren beduidend beter floreerden in een systeem dat hen twee jaar lang minder druk oplegde. Ze hadden minder mentale stress en voelden zich gezonder en meer gezien.” Betkó kon niet aantonen dat deze mensen in die twee jaar ook sneller of vaker uit de bijstand kwamen. “Dan zegt het Rijk: mislukt, dat hoeven we niet te doen. Maar wij als onderzoekers zeiden: wacht even, ze blijven ook niet langer in de bijstand. Als het voor die uitkomsten niet uitmaakt, waarom zou je dan vasthouden aan je superstrenge, bureaucratische en arbeidsintensieve werkwijze?” Gesthuizen knikt. “Het gaat er ook om wat je als overheid uitstraalt naar de samenleving en de burgers: hoe ga je om met elkaar? Die cultureel-socialiserende functie vervult de overheid nu niet en we onderschatten hoe belangrijk die is.”
Verkokering
Het maalstroommodel maakt dus duidelijk dat je er met geld alleen niet bent. Armoede, stelt Beuving, is een zogeheten wicked problem waarvoor niet één oplossing bestaat. Je moet op meer factoren ingrijpen en dat betekent per definitie een interdisciplinaire aanpak. Dat is ook de opzet en ambitie van R€GAIN. “We hebben binnen ons centrum aanvullende perspectieven en we verstaan elkaar steeds beter.”
Maar in het veld is er nog wel een wereld te winnen. “Er zijn heel veel mensen die zich met deze problematiek bezighouden, maar dat gebeurt nog veel te vaak vanuit het eigen hokje”, zegt Gesthuizen. “Ook het openbaar bestuur is nog heel erg verkokerd. De beleidsmedewerkers van gezondheid werken veelal niet samen met hun collega’s van inkomen of onderwijs. Een van onze doelen is om die verkokering te doorbreken. Want het gaat juist om de connecties tussen alle aspecten in het leven van mensen.”
Betkó beaamt dat het model van R€GAIN kan helpen om holistischer te werken. “In de uitvoering weten we wel dat het gehele plaatje telt, maar de structuren en regels staan daarnaar werken vaak in de weg.” Een sterke rijksoverheid is belangrijk, maar dan liever een meer faciliterende dan sterk regulerende overheid. “Er zijn momenteel enorm veel regels voor arme mensen, lokaal, bij de Belastingdienst en landelijk. Met één goede landelijke regeling die mensen een leefbaar basisinkomen garandeert, kunnen wij zo’n twintig tot dertig regels schrappen en heb je minder ambtenaren nodig om al die regels uit te voeren.”
Verband met andere SDG’s
> SDG 3: Goede gezondheid en welzijn
“Een op het maalstroommodel gestoelde beleidsaanpak draagt bij aan een meer gelijkwaardige, sociaal duurzame samenleving waarin mensen gezonder zijn en zich een volwaardig lid van de samenleving voelen.” (Joost Beuving)
Inspiratiebronnen
Lees: Rouwdouwers | Falun Ellie Koos | AtlasContact, 2024
“Een aangrijpende roman over opgroeien in armoede en sociale verwaarlozing. Het laat vooral goed zien hoe een leven aan de zelfkant van de samenleving diepe mentale sporen achterlaat. Het boek is genomineerd voor van alles en nog wat, en de schrijfster is een poosje veel in het nieuws geweest; ze is een bescheiden jonge vrouw die bijzonder helder kan praten over haar ervaringen met armoede.” (Joost Beuving)
Kijk: The Corner | Miniserie HBO, 2000 | Bewerking van The Corner: A Year in the Life of an Inner-City Neighborhood, David Simon en Ed Burns, 1997
“Weinig tv-programma’s zetten de diepgewortelde, langdurige armoede zo intens neer als de HBO-miniserie The Corner. David Simon en Edward Burns vertoefden ruim een jaar op de straathoeken van een van de getto’s van Baltimore. Wat vooral beklijft zijn de intense gevolgen van deze armoede voor zowel de mensen als de grootstedelijke gebieden waarin zij leven en de schrijnende afwezigheid van overheidsinstanties en voorzieningen.” (Maurice Gesthuizen)
Luister: Bloodlust | Album van Body Count, 2017
“Hier komen heel mooi de gevolgen van armoede en andere sociale problematiek aan bod. De band vertolkt heel mooi hoe sommige mechanismen die we wetenschappelijk bestuderen in armoedeonderzoek (zoals wederkerigheid) ‘op straat’ werken. Bandleider Tracy Marrow was bijna 60 jaar toen dit album verscheen en financieel al lang binnen als muzikant en acteur. Maar nog recht overeind staan zijn gedrevenheid en woede die hij gebruikt om sociaal onrecht aan te kaarten. Mooi vind ik dat.” (János Betkó)
Lessuggestie
In het gesprek met Maurice Gesthuizen en János Betkó stelt Joost Beuving dat het een misverstand is dat armoede je eigen schuld is. Het kan iedereen overkomen. Bovendien is het afhankelijk van de context of iemand arm genoemd kan worden of niet. Dat maakt armoede tot een complex fenomeen, vooral voor wie het treft, zo illustreren ze aan de hand van een toeslagenbrief.
Kunstblik: Keep your coins, I want change | Banksy

Banksy is de bekendste en vanwege zijn activistische en politieke statements beruchtste street artist van Engeland en misschien wel wereldwijd. Zijn veelal met stencils geproduceerde pieces verschijnen vaak plotseling op onverwachte plekken en hebben doorgaans een satirische inslag. Banksy is al actief sinds 1990, maar wie er achter het pseudoniem schuilgaat (of misschien wel schuilgaan), is niet bekend. Veelvoorkomende thema’s zijn onrecht, armoede, de kwetsbaarheid van kunst en politiegeweld. Vaak zet Banksy via beeld of taal de toeschouwers op het verkeerde been. In dit geval is het geen roep om wisselgeld, maar om verandering.